Naar een vernieuwing van het Christendom (3) waar de wegen uit elkaar gaan

In de verhouding tussen jodendom en christendom klinkt nog altijd die oude, bijbelse zin: de stem is van Jakob, maar de handen zijn Ezau’s handen. Het christendom draagt de taal, de verhalen en de God van Israël — het spreekt met Jakobs stem — maar het heeft zich gehuld in de culturele huid van de volkeren, gevormd door Griekse filosofie, Romeinse macht en heidense symboliek. Wat het zegt, komt uit Israël; wat het geworden is, komt uit de wereld. Juist in die spanning ligt zowel de misvorming van het christendom als de mogelijkheid tot zijn vernieuwing.

Het gesprek tussen jodendom en christendom is eeuwenlang bepaald door misverstanden, asymmetrie en soms zelfs vijandschap. Het christendom presenteerde zichzelf als de vervulling van de joodse Schrift, terwijl het jodendom die claim zag als een mislezing van zijn heilige teksten. De geschiedenis van het messiaanse denken laat echter zien dat het christendom niet simpelweg een voortzetting is van het jodendom, maar een nieuwe religie die is ontstaan uit een ontmoeting tussen Israël en de Grieks-Romeinse wereld. Juist dat inzicht kan het gesprek tussen beide tradities vandaag vernieuwen, omdat het ruimte schept voor eerlijkheid: het christendom hoeft niet langer te doen alsof het de enige legitieme erfgenaam van de Hebreeuwse Bijbel is, en het jodendom hoeft niet langer te reageren op claims die nooit binnen zijn eigen horizon hebben gelegen.

Wanneer christenen erkennen dat hun beeld van de Messias niet rechtstreeks uit de Hebreeuwse Bijbel komt, maar uit een complexe synthese van joodse apocalyptiek, Griekse filosofie, mysterieculten en keizerlijke ideologie, ontstaat er een nieuwe vrijheid. De vraag wordt dan niet langer: “Waarom herkennen joden Jezus niet in hun eigen Schrift?”, maar: “Waarom zou de Hebreeuwse Bijbel noodzakelijkerwijs verwijzen naar een kosmische, pre-existente Messias?” Die vraag is bevrijdend, omdat zij de verantwoordelijkheid teruglegt waar zij hoort: bij de christelijke traditie zelf. Het christendom hoeft niet langer te bewijzen dat de profeten Jezus bedoelden; het kan erkennen dat het Jezus leest in het licht van zijn eigen openbaringservaring, niet in het licht van de oorspronkelijke betekenis van de tekst.

Voor het jodendom betekent dit dat het niet langer hoeft te reageren op een claim die het altijd als vreemd heeft ervaren. Het hoeft niet langer uit te leggen waarom Jesaja 53 niet over Jezus gaat, of waarom Daniël 7 geen voorspelling is van de opstanding. Het kan eenvoudigweg zeggen dat deze teksten binnen hun eigen context een andere betekenis hebben, en dat de christelijke herlezing een latere, secundaire interpretatie is. Daarmee wordt het gesprek niet afgesloten, maar juist geopend. Want wanneer beide tradities erkennen dat zij dezelfde tekst op verschillende manieren lezen, ontstaat er ruimte voor dialoog zonder dat de ene de ander hoeft te corrigeren.

Het christendom kan in dat gesprek iets waardevols inbrengen: de erkenning dat religieuze waarheid niet alleen ligt in de oorspronkelijke betekenis van een tekst, maar ook in de manier waarop een gemeenschap die tekst opnieuw leest in het licht van haar eigen ervaring. Het jodendom kan op zijn beurt laten zien hoe een traditie trouw kan blijven aan de historische betekenis van haar teksten zonder te vervallen in starheid. Beide tradities hebben iets te bieden: het christendom de kracht van hermeneutische verbeelding, het jodendom de kracht van historische continuïteit.

Maar het gesprek wordt pas werkelijk vruchtbaar wanneer het christendom bereid is zijn eigen geschiedenis onder ogen te zien. Het moet erkennen dat de vergoddelijking van Jezus niet voortkomt uit de Hebreeuwse Bijbel, maar uit een religieuze wereld waarin god-mensen, hemelse bemiddelaars en kosmische redders alomtegenwoordig waren. Het moet erkennen dat Paulus niet de voortzetting is van Jezus’ joodse boodschap, maar de architect van een nieuwe religieuze identiteit. Het moet erkennen dat de claim op vervulling niet neutraal is, maar een vorm van hermeneutische macht die eeuwenlang heeft geleid tot miskenning van het jodendom.

Wanneer het christendom die erkenning aandurft, ontstaat er een nieuwe mogelijkheid: een christendom dat niet langer afhankelijk is van supersessionisme, maar dat zijn eigen identiteit vindt in de unieke synthese die het heeft voortgebracht. Een christendom dat niet langer beweert dat het jodendom onvolledig is, maar dat erkent dat het zelf een nieuwe weg is gegaan. Een christendom dat niet langer de Hebreeuwse Bijbel koloniseert, maar haar leest als een bron die het deelt met een oudere traditie die haar eigen stem heeft.

Voor het jodendom opent dit een andere mogelijkheid: het kan het christendom zien als een verwante traditie die is ontstaan uit dezelfde wortel, maar die een andere richting is ingeslagen. Het hoeft het christendom niet langer te bestrijden op het terrein van de Schrift, maar kan het benaderen als een religie die haar eigen openbaring heeft, haar eigen geschiedenis, haar eigen theologische logica. Daarmee wordt het gesprek niet een strijd om waarheid, maar een ontmoeting tussen twee tradities die elkaar kunnen verrijken zonder elkaar te willen vervangen.

De historische inzichten in de ontwikkeling van het messiaanse denken maken zo een nieuw gesprek mogelijk. Niet een gesprek waarin de ene traditie de ander overtuigt, maar een gesprek waarin beide tradities zichzelf beter begrijpen. Het christendom ontdekt dat zijn kracht niet ligt in het claimen van de Hebreeuwse Bijbel, maar in het vermogen om een nieuwe synthese te vormen. Het jodendom ontdekt dat het niet hoeft te reageren op claims die buiten zijn horizon liggen, maar dat het zijn eigen stem kan laten klinken in een wereld die openstaat voor meerdere vormen van religieuze waarheid.

In die wederzijdse erkenning ligt de mogelijkheid van een volwassen dialoog. Een dialoog waarin het christendom niet langer probeert te bewijzen dat het de vervulling is van het jodendom, en waarin het jodendom niet langer hoeft uit te leggen waarom het Jezus niet herkent. Een dialoog waarin beide tradities kunnen zeggen: wij delen een oorsprong, maar wij zijn verschillende wegen gegaan. En juist in die verschillen kunnen wij elkaar ontmoeten.

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *