Naar een vernieuwing van het Christendom (1) Jezus’ als godheid

In de verhouding tussen jodendom en christendom klinkt nog altijd die oude, bijbelse zin: de stem is van Jakob, maar de handen zijn Ezau’s handen. Het christendom draagt de taal, de verhalen en de God van Israël — het spreekt met Jakobs stem — maar het heeft zich gehuld in de culturele huid van de volkeren, gevormd door Griekse filosofie, Romeinse macht en heidense symboliek. Wat het zegt, komt uit Israël; wat het geworden is, komt uit de wereld. Juist in die spanning ligt zowel de misvorming van het christendom als de mogelijkheid tot zijn vernieuwing.

Het idee dat de Messias een kosmisch, goddelijk wezen zou zijn, is geen vanzelfsprekend onderdeel van de Hebreeuwse Bijbel. Het is het resultaat van een lange en ingewikkelde ontwikkeling waarin joodse verwachtingen, Griekse filosofie en de religieuze verbeelding van het Romeinse Rijk elkaar kruisten. Wie de geschiedenis van het messiaanse denken volgt, ziet hoe een oorspronkelijk aards, historisch en politiek concept langzaam wordt verheven tot een hemelse figuur die pre-existent is, deelneemt aan de schepping, de dood overwint en uiteindelijk op een goddelijke troon plaatsneemt. Dat proces begint niet in het Nieuwe Testament, maar eeuwen eerder, in de turbulente periode waarin joden leefden onder Perzische, Griekse en later Romeinse heerschappij.

Een eerste grote verschuiving vindt plaats in het boek Daniël. Tot dan toe was de messiaanse verwachting vooral horizontaal: een toekomstige koning uit het huis van David die Israël zou herstellen, de vijanden zou verslaan en vrede zou brengen. Daniël introduceert een radicaal andere visie. De verlosser is niet langer een toekomstige koning binnen de geschiedenis, maar een figuur die van boven komt, uit de hemelse regionen, “als een zoon des mensen” die op de wolken neerdaalt om een eeuwig koningschap te ontvangen. Daarmee wordt de Messias niet alleen een politieke leider, maar een wezen dat deelneemt aan een kosmisch drama. De geschiedenis wordt niet hervormd, maar beëindigd. De Messias wordt niet gezalfd door mensen, maar door God zelf, in een hemels hof dat de aarde overstijgt. Deze apocalyptische verbeelding opent de deur naar een Messias die niet alleen mens is, maar ook een hemelse gestalte draagt.

Parallel aan deze ontwikkeling ontstaat in Alexandrië een heel andere beweging. Joodse denkers die leefden in een wereld doordrenkt van Griekse filosofie probeerden de Torah te verbinden met de ideeën van Plato en de Stoa. In dat proces werd de figuur van de Logos geboren: het Woord, de redelijke structuur van het universum, een bemiddelaar tussen God en de wereld. Philo van Alexandrië beschrijft de Logos als een soort tweede goddelijke macht, een instrument van schepping en openbaring. Tegelijkertijd werd in de joodse wijsheidsliteratuur de Wijsheid (Hokhmah) gepersonifieerd als een wezen dat bij God was vóór de schepping en dat als een soort architect meewerkte aan de ordening van de wereld. Rabbijnse tradities zouden deze Wijsheid later identificeren met de geschreven Torah, maar in de Grieks-joodse wereld werd zij een prototype voor een pre-existent, goddelijk bemiddelingswezen. Het is precies deze combinatie van Logos en Wijsheid die later door het vroege christendom wordt toegepast op Jezus.

In de eeuwen tussen de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament ontstaat een rijke literatuur die de messiaanse figuur verder verheft. In de Parabelen van Henoch worden verschillende bijbelse figuren samengevoegd: de menselijke Davidische koning, de hemelse Mensenzoon uit Daniël en de lijdende dienaar uit Jesaja. Het resultaat is een transcendente redder die niet alleen recht spreekt, maar ook een hemelse rol vervult die eerder aan engelen of zelfs aan God zelf was voorbehouden. In de Qumranrollen verschijnen figuren als de Vorst van het Licht en een hemelse Melchizedek, die worden beschreven als elohim, goddelijke wezens die strijden tegen de machten van het kwaad. Deze literatuur laat zien dat het jodendom van de late Tweede Tempelperiode al experimenteerde met het idee van hemelse verlossers die meer zijn dan mensen.

Tegelijkertijd leefden joden in een wereld waarin de religieuze verbeelding van de Griekse en Romeinse cultuur alomtegenwoordig was. In de mysterieculten van Dionysus, Orpheus en Attis werd het idee van een god-mens die sterft en weer opstaat centraal gesteld. Deze culten boden rituelen waarin de gelovige deel kreeg aan het lot van de godheid en zo hoopte op onsterfelijkheid. Voor iemand als Paulus van Tarsus, die leefde in Klein-Azië waar deze culten bijzonder invloedrijk waren, vormden zij een herkenbaar kader om de betekenis van Jezus’ dood en opstanding te duiden. De gedachte dat een goddelijke figuur door zijn dood de dood overwint en zijn volgelingen eeuwig leven schenkt, was in deze wereld niet vreemd, maar vertrouwd. Paulus hoefde het niet uit te vinden; hij hoefde het slechts toe te passen.

Daarbovenop kwam de ideologie van het Romeinse keizerschap. De keizer werd voorgesteld als een goddelijke figuur, een belichaming van kosmische orde, een heerser die deelhad aan een hemels archetype van universele macht. Zijn troon, zijn scepter, zijn triomf waren niet slechts politieke symbolen, maar religieuze. In de late oudheid werd de keizer zelfs gezien als iemand die door zijn ambt werd “vergoddelijkt”. Het is dan ook niet verwonderlijk dat joodse en christelijke teksten uit deze periode de Messias beginnen te beschrijven in termen die sterk lijken op de keizerlijke iconografie: een hemelse koning die op een troon zit naast God, gekroond, gezalfd, omringd door hemelse machten.

Interessant genoeg bleef het jodendom niet passief tegenover deze ontwikkelingen. Terwijl het christendom Jezus verhief tot een goddelijke figuur, ontstonden in sommige joodse kringen parallelle concepten. In de Hekhalot-literatuur wordt Metatron, de vergoddelijkte Enoch, beschreven als de “Kleine JHWH”, een hemelse rechter die naast God zit en deelneemt aan het bestuur van de wereld. In andere tradities wordt koning David zelf verheven tot een hemelse Messias die een troon naast God krijgt. Deze figuren zijn geen kopieën van Jezus, maar parallelle antwoorden op dezelfde culturele impulsen: de behoefte aan een hemelse bemiddelaar in een wereld die steeds meer werd gedacht in termen van kosmische strijd en goddelijke hiërarchie.

Wanneer al deze lijnen samenkomen — de apocalyptiek van Daniël, de Logos-filosofie van Alexandrië, de wijsheidsliteratuur, de mysterieculten, de keizerlijke ideologie en de joodse mystiek — ontstaat het beeld van een Messias die niet alleen mens is, maar ook goddelijk, niet alleen koning, maar ook pre-existent, niet alleen hersteller van Israël, maar ook redder van de wereld. Het christendom heeft deze elementen samengebracht in de figuur van Jezus, maar het heeft ze niet uitgevonden. Het heeft een bestaande culturele en religieuze stroom samengebald tot één persoon.

Het idee van een kosmische, goddelijke Messias is dus geen vanzelfsprekende voortzetting van de Hebreeuwse Bijbel, maar het product van een complexe synthese. Het is een antwoord op een wereld die groter, gevaarlijker en mysterieuzer was geworden dan de profeten zich ooit hadden kunnen voorstellen. En het laat zien hoe religieuze ideeën zich ontwikkelen: niet in isolatie, maar in voortdurende dialoog met de cultuur, de filosofie en de politieke macht van hun tijd.

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *