In de verhouding tussen jodendom en christendom klinkt nog altijd die oude, bijbelse zin: de stem is van Jakob, maar de handen zijn Ezau’s handen. Het christendom draagt de taal, de verhalen en de God van Israël — het spreekt met Jakobs stem — maar het heeft zich gehuld in de culturele huid van de volkeren, gevormd door Griekse filosofie, Romeinse macht en heidense symboliek. Wat het zegt, komt uit Israël; wat het geworden is, komt uit de wereld. Juist in die spanning ligt zowel de misvorming van het christendom als de mogelijkheid tot zijn vernieuwing.
Het gesprek tussen jodendom en christendom kan alleen vruchtbaar worden wanneer beide tradities erkennen dat hun relatie niet symmetrisch is. Het jodendom hoeft zichzelf niet te herzien om het christendom te begrijpen; het christendom daarentegen kan niet werkelijk tot zelfinzicht komen zonder de joodse kritiek serieus te nemen. Die asymmetrie is geen moreel oordeel, maar een historisch feit. Het christendom is ontstaan uit het jodendom, heeft zich vervolgens van het jodendom losgemaakt, en heeft daarna eeuwenlang geprobeerd het jodendom te definiëren, te corrigeren of te vervangen. Het jodendom heeft het christendom nooit nodig gehad om zichzelf te begrijpen; het christendom heeft het jodendom altijd nodig gehad om zijn eigen claims te rechtvaardigen. Daarom kan een werkelijk nieuw gesprek alleen beginnen wanneer het christendom bereid is zichzelf opnieuw te doordenken in het licht van de joodse kritiek.
Die heruitvinding begint bij de figuur van Jezus. Het christendom heeft Jezus eeuwenlang gezien door de lens van Paulus, de kerkvaders en de concilies: als een pre-existent, goddelijk wezen dat uit de hemel neerdaalt, sterft voor de zonden van de wereld en vervolgens wordt verheerlijkt. Maar die voorstelling is niet de Jezus van de geschiedenis. De historische Jezus was een joodse leraar die leefde binnen de wereld van de Torah, de profeten en de messiaanse verwachtingen van zijn tijd. Hij probeerde de rol van Messias te vervullen zoals hij die begreep: niet als een kosmische redder, maar als een profetische figuur die Israël opriep tot bekering, gerechtigheid en trouw. Zijn boodschap was gericht op het volk, niet op de mensheid; op het Koninkrijk van God binnen de geschiedenis, niet op een hemels drama buiten de tijd.
Het christendom moet de moed hebben om die Jezus opnieuw onder ogen te zien. Niet de Christus van de dogma’s, maar de Jezus van Galilea. Niet de god-mens van Nicea, maar de joodse leraar die geloofde dat God zou ingrijpen in de geschiedenis van Israël. En het moet erkennen dat Jezus’ poging om de messiaanse rol te vervullen uiteindelijk is mislukt. Hij werd niet koning, hij bracht geen vrede, hij herstelde Israël niet, hij verdreef de Romeinen niet, hij bracht het Koninkrijk niet in zicht. Zijn dood was niet de vervulling van de profetieën, maar het einde van zijn messiaanse hoop. Dat inzicht is geen aanval op Jezus, maar een eerherstel van zijn menselijkheid. Het maakt hem niet minder waardevol, maar juist begrijpelijker: een joodse leraar die leefde met een intens verlangen naar Gods nabijheid en die bereid was zijn leven te geven voor zijn roeping.
Het christendom hoeft niet te vrezen dat dit inzicht zijn fundamenten ondermijnt. Integendeel: het opent de mogelijkheid voor een nieuwe theologie die niet langer afhankelijk is van het idee dat Jezus de Messias van Israël moest zijn. Het christendom kan erkennen dat zijn kracht niet ligt in de vervulling van joodse profetieën, maar in iets anders: in het feit dat de God van Israël door het christendom bekend is geworden onder de volkeren. Dat is geen kleine prestatie. Het is een van de meest opmerkelijke gebeurtenissen in de religieuze geschiedenis: een God die oorspronkelijk verbonden was met één volk, één land en één geschiedenis, wordt door het christendom een universele God die wordt aanbeden door mensen uit alle naties.
Dat proces was niet het gevolg van een theologisch plan, maar een historisch bijeffect. Het christendom heeft de God van Israël niet universeel gemaakt omdat het de Hebreeuwse Bijbel correct uitlegde, maar omdat het zich ontwikkelde in een wereldrijk waarin ideeën, culturen en religies zich snel verspreidden. De universaliteit van de God van Israël is niet het resultaat van een vervulling, maar van een ontmoeting: de ontmoeting tussen joodse monotheïsme en Grieks-Romeinse universaliteit. En juist in dat bijeffect ligt de hoop voor een nieuwe constructie van het christelijk geloof.
Wanneer het christendom erkent dat zijn ware kracht niet ligt in het claimen van de joodse Schrift, maar in het verspreiden van de naam van de God van Israël onder de volkeren, ontstaat er een nieuwe vrijheid. Het hoeft niet langer te bewijzen dat Jezus de Messias van Israël is; het kan erkennen dat Jezus de weg is geweest waardoor de God van Israël de wereld binnenkwam. Het hoeft niet langer te beweren dat de profeten Jezus bedoelden; het kan erkennen dat Jezus een joodse leraar was die de wereld heeft geopend voor de God van Israël. Het hoeft niet langer te worstelen met de spanning tussen de historische Jezus en de kosmische Christus; het kan beide zien als verschillende lagen van een religieuze geschiedenis die groter is dan één interpretatie.
In die heruitvinding ligt de mogelijkheid van een christendom dat niet langer in conflict staat met het jodendom, maar dat zijn eigen plaats vindt naast het jodendom. Een christendom dat niet langer probeert het jodendom te vervangen, maar dat erkent dat het jodendom de bron is waaruit het is voortgekomen. Een christendom dat niet langer afhankelijk is van supersessionisme, maar dat zijn identiteit vindt in de universele verspreiding van de God van Israël. Een christendom dat niet langer vasthoudt aan een dogmatische Christus, maar dat de historische Jezus omarmt als de joodse leraar die de wereld heeft geopend voor een God die groter is dan één volk en één geschiedenis.
Wanneer het christendom die weg durft te gaan, ontstaat er een nieuwe theologie die niet langer gebouwd is op misverstanden, maar op waarheid. Een theologie die niet langer afhankelijk is van het idee dat Jezus moest slagen als Messias, maar die erkent dat zijn betekenis ligt in zijn falen. Een theologie die niet langer de Hebreeuwse Bijbel koloniseert, maar haar leest als de stem van Israël. Een theologie die niet langer probeert te bewijzen dat het jodendom onvolledig is, maar die erkent dat het christendom zelf een onverwachte vrucht is van de geschiedenis van Israël.