Naar een nieuwe vorm van christendom

Een terugkerende vraag in de Joods‑christelijke dialoog is of het Jodendom het christendom ooit kan beschouwen als een authentieke vorm van Jodendom. Het korte antwoord blijft nee, althans niet op een eenvoudige of symmetrische manier. Maar het langere antwoord is veel rijker, omdat het een landschap blootlegt waarin historische herwaardering, theologische verbeelding en een hernieuwd besef van gedeelde oorsprong mogelijkheden openen die eerdere generaties nauwelijks konden vermoeden. De vraag verschuift dan van het samenvoegen van beide tradities naar de subtielere kwestie of het Jodendom het christendom kan erkennen als een echte relatie met de God van Israël — vooral voor de volken — zonder zijn eigen verbondsmatige identiteit te verliezen.

Voor mij is deze vraag niet louter academisch. Ik ben gaandeweg tot de overtuiging gekomen dat het jodendom, in zijn trouw aan de ene God, aan de Tora en aan de concrete geschiedenis van Israël, een meer authentieke vorm van religie vertegenwoordigt dan het christendom. Dat is geen polemische stelling, maar een conclusie waartoe ik me gedwongen zie door de feiten. Het christendom heeft zich, door de incarnatieleer, de leer van de zondeval, de verwerping van de eeuwige gelding van de Tora en een lange geschiedenis van structureel antisemitisme, verwijderd van de religieuze intuïties die ik als oorspronkelijk en betrouwbaar ben gaan zien. Het heeft zich, hoe pijnlijk ook om te erkennen, ontwikkeld tot een religie die in veel opzichten eerder heidens aandoet dan geworteld in de God van Israël. En toch blijft er in mij een verlangen bestaan om te onderzoeken of er een vorm van christelijk geloof denkbaar is die deze dogmatische ontsporingen achter zich laat en opnieuw aansluiting vindt bij de Joodse wortels waaruit het ooit is voortgekomen.

Het diepste theologische struikelblok blijft de christelijke claim van incarnatie. Michael Wyschogrod, die op andere punten opvallend ontvankelijk is voor christelijke theologie, noemt dit het moeilijkste punt van de hele dialoog. Het jodendom heeft altijd bevestigd dat Gods aanwezigheid woont te midden van Israël, in het land of in het heiligdom, maar nooit dat God vlees wordt in één individu dat losstaat van het collectieve lichaam van Israël. Die claim raakt aan de kern van Joodse intuïties over goddelijke aanwezigheid, lichamelijkheid en de onherleidbaar gemeenschappelijke aard van Israëls verbondsleven. Voor mij is dit precies het punt waarop het christendom een grens overschrijdt die het jodendom nooit heeft kunnen en nooit zal kunnen volgen. De incarnatie maakt van God een object binnen de wereld, een individu onder individuen, en daarmee verliest het christendom de radicale transcendentie die het jodendom altijd heeft bewaard.

Toch hebben sommige Joodse denkers zich afgevraagd of de christelijke bewering anders gehoord kan worden wanneer zij benaderd wordt via Joodse, in plaats van seculiere, categorieën. Het project Christianity in Jewish Terms suggereert dat Joden het christendom niet uitsluitend hoeven te zien als een ontkenning van het Jodendom. Wanneer men begint bij rabbijnse categorieën, worden bepaalde christelijke claims minder vreemd. De Drie‑eenheid hoeft bijvoorbeeld niet benaderd te worden als een wiskundig probleem, maar als een christelijke manier om te spreken over Gods oneindige zelfexpressie. Het jodendom bevestigt al dat God oneindige woorden spreekt; als dat zo is, dan is Gods woord zowel van God als tot ons gericht. Zonder de doctrine over te nemen, kan een Jood op zijn minst begrijpen hoe christenen tot het Logos‑begrip komen. Maar voor mij blijft dit een grens van begrip, niet van instemming. Het christendom kan op deze manier misschien begrijpelijker worden, maar het wordt er niet Joodser door.

De verbondsvraag is nog lastiger. Het jodendom heeft lang de Noachidische geboden gebruikt als kader om na te denken over het religieuze leven van niet‑Joden, maar dat is een minimale, negatieve formulering. Ze doet geen recht aan de christelijke overtuiging dat ook christenen in een positieve, verbondsmatige relatie met de God van Israël staan. Sommige geleerden stellen dat het jodendom een rijkere theologische grammatica nodig heeft om te erkennen dat christenen eveneens in relatie staan tot Israëls God, zij het niet via Sinaï. Ik begrijp die poging, maar ik merk dat ik zelf steeds minder ruimte zie voor een christendom dat zijn eigen dogmatische erfenis niet kritisch herijkt. Een religie die de Tora als achterhaald beschouwt, die de mensheid definieert vanuit een erfzonde die het Jodendom niet kent, en die de geschiedenis van Israël theologisch marginaliseert, kan ik niet langer zien als een authentieke weg naar de God van Israël.

Toch is er een andere mogelijkheid, één die mij wél aanspreekt: het christendom niet zien als jodendom, maar als een door God gewilde zending onder de volken — mits het zichzelf hervindt in zijn Joodse wortels. Verschillende Joodse denkers hebben gesuggereerd dat het christendom functioneert als een praeparatio messianica, een voorbereiding van de volken op de uiteindelijke verlossing. In dat licht wordt Jezus niet de Messias van Israël, maar de redder van de heidenen, degene door wie de volken de God van Israël leren kennen. Maar die rol kan alleen geloofwaardig zijn wanneer het christendom zichzelf bevrijdt van de theologische ballast die het van zijn oorsprong heeft vervreemd. Een christendom dat de Tora opnieuw eert, dat Jezus ziet als een Jood onder Joden, dat de incarnatie niet langer als metafysisch dogma maar als spirituele metafoor leest, en dat zijn antisemitische erfenis radicaal aflegt — zo’n christendom zou ik kunnen herkennen als een authentieke, op het Jodendom gebaseerde religie.

De historische wetenschap helpt daarbij. Hoe meer Jezus wordt begrepen als een trouwe, Tora‑getrouwe Jood — zoals geleerden als Matthew Thiessen en E.P. Sanders hebben betoogd — hoe duidelijker het wordt dat hij nooit de bedoeling had een nieuwe religie te stichten. Sommige Joodse stemmen zijn begonnen Jezus opnieuw te zien als een broer, een legitiem en geëerd lid van het Joodse volk, wiens leven en onderricht alleen binnen de Joodse bodem konden ontstaan. Voor mij is dit geen bedreiging, maar een bevrijding: het maakt ruimte voor een christendom dat niet langer pretendeert Israël te vervangen, maar dat zijn plaats vindt binnen de bredere beweging van de volken naar de God van Israël.

De identiteitsvraag wordt nog ingewikkelder wanneer we kijken naar de vroege Jezusbeweging. De term “Joods christendom” werd ooit gebruikt voor de periode waarin jodendom en christendom nog geen gescheiden sociale identiteiten waren. Mark Kinzer betoogt dat de uiteindelijke “scheiding der wegen” niet onvermijdelijk was en niet Gods wil. Voor hem ligt de tragedie hierin dat Joden die in Jezus geloven gedwongen zijn een heidense kerkstructuur binnen te gaan, zonder een authentieke manier om hun geloof te leven als onderdeel van hun jodendom Zijn visie op messiaans jodendom probeert het Joodse karakter van de ekklēsia te herstellen. En precies daar zie ik een mogelijkheid die mij persoonlijk raakt: een gezuiverde vorm van christendom, waarin de dogmatische ontsporingen worden rechtgezet en waarin Jezus opnieuw wordt gezien binnen de Joodse matrix waaruit hij voortkwam. Zo’n beweging zou niet langer christendom in klassieke zin zijn, maar eerder een vorm van messiaans jodendom — een religie die niet tegenover Israël staat, maar erin, of ernaast, als een verwante tak.

Dit alles leidt tot een conclusie die noch eenvoudig, noch symmetrisch is. Het jodendom kan het christendom in zijn huidige vorm niet accepteren als een authentieke vorm van jodendom, en ik kan dat zelf evenmin. Maar ik kan me wel voorstellen dat een hervormd, gezuiverd christendom — een christendom dat zijn Joodse wortels niet alleen erkent maar belichaamt — een authentieke religieuze weg zou kunnen worden voor de volken. Niet als vervanging van Israël, maar als een beweging die haar plaats vindt in het licht van Israël. Een religie die niet langer heidens aandoet, maar geworteld is in de God van Abraham, Isaak en Jakob. Misschien is dat de weg vooruit: geen terugkeer naar het verleden, maar een herontdekking van wat er altijd al onder het oppervlak aanwezig was. Een christendom dat “Joods” durft te worden, niet uit nostalgie, maar uit waarheid.

 

Dit bericht is geplaatst in Autobiografisch, Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *