Naar een kerk zonder Israel?

Ik probeer met alle macht binnen het christelijk erf te blijven staan. Maar het wordt steeds moeilijker. Niet alleen vanwege de charismatische beweging die de kern van het christendom aantast, en niet alleen vanwege het ethisch en politiek conformisme waarmee de kerk ophoudt een getuige tegenover de staat te zijn, en niet alleen vanwege de kerkverlating en het gebrek aan relevantie van de huidige kerk, maar vooral vanwege de veranderende houding tegenover Israël en het rabbijnse jodendom. Zo was er een paar jaar geleden een poging om de “onverbrekelijke band” met Israël uit de kerkorde te halen. Zo is er het werk van Steven Paas. Zo is er het heftige en gewelddadige protest van pro-Palestijnse activisten tegen “Christenen voor Israël”. In het onderstaande probeer ik mijn visie op dat alles te formuleren en samen te vatten.


Veel christelijke theologen die de band met Israël proberen los te maken, doen dat ongetwijfeld niet uit kwaadaardigheid of onverschilligheid, maar vanuit een complex web van overtuigingen, erfenissen en angsten. Ik heb geen reden om te twijfelen aan hun oprechte motieven. Toch ligt er in hun werk samen een opvallende en voor mij onacceptabele tendens: Israël wordt kleiner, Christus wordt groter, en ergens in dat proces verdwijnt de Joodse bedding van het evangelie uit beeld. Het is een theologische operatie die zichzelf doorgaans presenteert als zuiver christocentrisch, maar die in de praktijk vaak meer voortkomt uit een onverwerkte geschiedenis van de kerk dan uit de logica van het Nieuwe Testament.

Een van de meest krachtige drijfveren is de behoefte aan interne consistentie. Voor veel systematische theologen moet het christelijk geloof één strakke lijn vormen, één heilseconomie, één volk van God. De gedachte dat Israël een blijvende, eigen roeping heeft naast de kerk voelt dan als een storende dubbelheid. Men grijpt naar Paulus’ woorden “Er is geen Jood of Griek” en leest ze alsof Paulus daarmee de historische en theologische rol van Israël heeft opgeheven. Maar dezelfde Paulus schrijft ook: “De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.” Het is opvallend hoe vaak dat laatste vers wordt genegeerd of omgebogen. De christocentrische reflex is begrijpelijk, maar ze wordt soms zo totaliserend dat ze de historische Jezus – een Jood onder Joden – bijna onherkenbaar maakt.

Daarachter werkt een lange traditie van supersessionisme. De kerk heeft eeuwenlang geleerd dat zij het “ware Israël” is en dat het jodendom slechts een voorfase was. Augustinus kon schrijven dat de Joden “boekenbezitters” waren die onbewust het christelijk geloof bevestigden, maar verder geen eigen theologische rol meer hadden. Die houding is diep in de christelijke verbeelding gezonken. Zelfs theologen die zichzelf als kritisch en post-supersessionistisch beschouwen, ademen soms nog de reflex dat het jodendom theologisch gezien voltooid is. Het is een erfenis die zich niet zomaar laat afschudden.

Daar komt bij dat sommige theologen bang zijn voor de politieke implicaties van een blijvende band met Israël. Ze vrezen dat elke theologische waardering van Israël automatisch leidt tot kritiekloze steun aan de staat Israël of tot christelijk zionisme. Om dat gevaar te vermijden, kiezen ze voor een theologie waarin Israël eenvoudigweg geen rol meer speelt. Maar die strategie heeft een prijs: het jodendom wordt gereduceerd tot een historische voetnoot, en de Schrift verliest haar eigen veelkleurigheid. De angst voor misbruik leidt dan tot een vorm van theologische minimalisering.

Een andere factor is de behoefte aan pastorale eenvoud. In veel kerken draait alles om Christus als bron van identiteit, troost en richting. Dat is begrijpelijk en vaak heilzaam. Maar in die pastorale beweging raakt Israël gemakkelijk buiten beeld. Niet uit afwijzing, maar uit pragmatische overwegingen. De focus op Christus wordt zo intens dat de context waarin Hij leefde en sprak verdampt. De Joodse wereld van Jezus wordt dan niet langer gezien als constitutief, maar als historische achtergrond. Het gevolg is een Christus die boven de geschiedenis zweeft in plaats van erdoor gevormd te zijn.

Tegelijk speelt er een subtieler, vaak onbewust motief: een christelijke superioriteitsreflex. De gedachte dat het christendom de volwassen vorm van het jodendom is, dat het jodendom zonder Christus incompleet is, dat de kerk de universele horizon is waar Israël uiteindelijk in opgaat. Het wordt zelden expliciet gezegd, maar het werkt als een soort culturele zwaartekracht. Het is de echo van eeuwen waarin de kerk zichzelf zag als de vervulling van alles wat Israël ooit was. Die echo klinkt nog steeds door, zelfs in theologieën die zichzelf als vernieuwend presenteren.

Het ironische is dat deze bewegingen vaak worden gemotiveerd door een verlangen om trouw te zijn aan Christus. Maar een Christus die losgemaakt wordt van Israël, raakt uiteindelijk ook los van zichzelf. Wie Israël marginaliseert, marginaliseert onbedoeld de Joodse Jezus. De historiciteit van het evangelie wordt dan een dunne schil over een abstracte christologie. De theologie wordt opgeruimd, maar de werkelijkheid wordt armer.

Er zijn theologen die dit scherp hebben gezien. Krister Stendahl waarschuwde al dat christenen Paulus vaak lezen “as if he had converted from Judaism to Christianity,” terwijl Paulus zelf nooit ophield Jood te zijn. E.P. Sanders benadrukte dat het jodendom van de eerste eeuw geen religie van wetticisme was, maar een dynamische verbondstraditie. En J.B. Metz schreef dat christenen “de Joodse wortel van hun eigen hoop” niet mogen vergeten zonder zichzelf te verliezen. Zulke stemmen herinneren ons eraan dat de christelijke identiteit niet ontstaat door Israël te vervangen, maar door zich tot het huidige, rabbijnse Israël te verhouden.

De vraag is dus niet of Christus centraal staat – hoewel ik daar ook nog wel wat theologische bedenkingen bij heb – maar wat het betekent om Hem centraal te stellen en wat de consequenties daarvan zijn. Een Christus die Israël overbodig maakt, losmaakt van Gods bemoeienis met de geschiedenis, geen authentieke stem heeft wanneer ze spreekt over de God van Israël, is niet de Christus van de evangeliën. Een Christus die de kerk losmaakt van haar Joodse oorsprong, is niet de Christus die zelf de Thora leefde en zijn leerlingen de opdracht gaf te luisteren naar wat de rabbijnen te zeggen hebben (Mat. 25:1,2) . Een Christus die de geschiedenis van Israël oplost in een systeem, is niet de Christus die in die geschiedenis geworteld was.

Misschien is dat de kern van het probleem: veel theologieën willen helderheid waar de Schrift zelf spanning laat bestaan. Israël en de kerk, wet en evangelie, continuïteit en discontinuïteit – het zijn geen tegenstellingen die opgelost moeten worden, maar polen die elkaar nodig hebben. De neiging om Israël theologisch te laten verdwijnen is vaak een poging om die spanning te ontlopen. Maar wie de spanning wegneemt, neemt ook de diepte weg.

Een theologie die Israël serieus neemt, hoeft Christus niet te marginaliseren. Integendeel: ze ontdekt Hem juist in zijn volle menselijkheid, in zijn Joodse stem, en in zijn plaats in het verhaal van zijn volk. En ze ontdekt dat de God van Israël niet ophoudt trouw te zijn. Zoals Paulus het formuleert: “Heeft God zijn volk verstoten? Volstrekt niet.”

 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël, Jodendom, Paulus, Persoonlijk, polemiek, Theologische kritiek, Torah. Bookmark de permalink.

4 reacties op Naar een kerk zonder Israel?

  1. wim werrie schreef:

    Geachte dominee,
    Sinds ongeveer twee maanden lees ik met veel waardering uw studies. Vooral de rol die Israël van Godswege te vervullen heeft, heeft mijn aandacht. Het lijkt wel alsof we nog steeds vast zitten aan de vervangings-theologie. De kerk komt er niet los van. Als dit wel het geval zou zijn, dan waren allang de belijdenisgeschriften kritisch door genomen en de plaats en de taak van Israël hierin naar voren gebracht. Ook de populaire Alfa cursus zou herschreven zijn. Ga zo maar door. Ook het besef dat we te maken hebben met een God die in 3 stukjes (Vader, Zoon en Geest) is te verdelen is voor mij niet geloofwaardig. Volgens mij hebben we te maken met een God die we tegen komen in de Thora en daar houd ik me aan vast. Dit zijn zomaar een paar opmerkingen die me bezig houden.
    Een hartelijke groet,
    Wim Werrie (Harmelen)
    Een 76 jarige lezer.

    • Robbert Veen schreef:

      Dankjewel, Wim. Ik ben blij dat we dezelfde diagnose delen. Ik heb geen recept voor herstel en ik vermoed dat de patiënt ook elke “behandeling” zou weigeren.

  2. Gerry Broekhuis-Leusink schreef:

    Dag ds. Robert Veen,
    Zoekend op het internet kwam ik in contact met uw bijbelstudies.
    Sindsdien volg ik u met aandacht.
    Zeker ook omdat ik u kan volgen in uw moeite met de kerk en uw positie daarin met betrekking op de relatie met het jodendom, de oorsprong van de kerk en het uiteengaan van deze twee in de eerste eeuwen.
    Zelf ben ik 1 ste graads hbo theologisch geschoold, op wat heette Joods-christelijke gronden. Inderdaad is toen mijn denken over de kerk en de centrale plaats die de christologie (vaak los van het oude testament)inneemt al behoorlijk opgeschud.
    Een aantal keren bezocht ik Israël, dat maakte dat ik grote liefde kreeg voor het land, het volk en zeker ook voor de geschiedenis.

    Sinds 7 oktober 2023 is de wereld veranderd.
    Alles wat blijkbaar sluimerde kwam aan het licht.
    De intense jodenhaat, vaak onder de noemer “anti-zionisme” werd zichtbaar.
    Het deed pijn om dit te ervaren. Ineens begreep hoe zoiets vreselijks als de Shoah heeft kunnen gebeuren. Hoe het kon dat mensen wegkeken. Nog meer respect kreeg ik voor de mensen van het verzet, zoals mijn schoonouders die deden wat ze konden om hun Joodse medeburgers in bescherming te nemen.
    Ik ging er nog meer over lezen. Met afschuw las het boek van Wim Verwoerd:” Het bloed schreeuwt uit de aarde”. Hoe was het mogelijk in een christelijk Europa?
    Waar was de kerk?
    Op een paar predikanten na, zweeg de kerk.
    En helaas: ook nu zwijgt de kerk.
    Natuurlijk mag je kritisch zijn. Je mag kritiek hebben op je oudste broer. Maar de kerk beschouwt Israël niet meer als haar oudste broer . De kerk is uit dat Joodse gezin gestapt. De PKN belijdt wel de onopgeefbare verbondenheid, maar ten diepste ziet zij zichzelf toch wel als een soort beter christelijk gezin.
    Wet en genade staan vaak tegenover elkaar.
    Goddank! is er nog de afdeling:” kerk en Israël” binnen de PKN die, voor wie belangstelling heeft, studiedagen organiseert.
    Daar doet men pogingen om elkaar vast te houden.

    U schrijft vaak over “herbronnen.”
    Soms wordt er een poging gedaan, zoals de uitgave van het nieuwe testament met Joodse uitleg.
    Daar staan mooie dingen in, met name uitleg over de eerste eeuwen, over de logos, het woord, memra, wijsheid, engelen, engel des Heeren, hemelse figuren etc. Of anders gezegd manifestaties van God.
    Maar het is zoals u schrijft: de incarnatie is een stap te ver.
    Maar hoevelen bestuderen dit?

    Alles bij elkaar is de kerk een moeilijk verhaal als je dit allemaal weet en eerlijk wilt zijn tegenover jezelf en de (A)ander.
    Ik wens u veel wijsheid.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *