Vandaag is de Jahrzeit van de Lubavitcher Rebbe, Menachem Mendel Schneerson, en zoals elk jaar schuift zijn aanwezigheid opnieuw de tijd binnen, alsof zijn stem nog steeds door de gangen van 770 Eastern Parkway klinkt. Ik heb veel naar hem geluisterd en geprobeerd zijn lispelende jiddisj te ontcijferen. Ik heb veel van hem gelezen en zag in hem een onverwacht sympathieke uitlegger van de Torah die het volle licht van Gods onderwijzing voor jood en niet-jood wilde laten schijnen. Daarom dit kleine eerbetoon. (Geïnspireerd door het eerbetoon dat hem gegeven werd op chabad.org)
De Rebbe is een van die zeldzame figuren die niet alleen een gemeenschap leidde, maar de wereld veranderde. Hij was geen charismatische leider in de moderne zin, geen man van spektakel of zelfverheffing, maar iemand die de wereld benaderde als een tekst die gelezen moest worden, een ziel die aangesproken moest worden, een vonk die gewekt moest worden. Zijn blik was nooit gericht op macht, maar op de mogelijkheden van alle mensen. Hij zag niet wat mensen waren, maar wat zij konden worden.

Wat mij altijd getroffen heeft, is hoe de Rebbe over de diaspora sprak, niet als een tragische toestand, maar als een opdracht. In een eeuw waarin Joden overal ter wereld worstelden met assimilatie, angst en verlies, met antisemitisme en vervolging, met angst voor het lot van Israël, sprak hij over lichtpunten, over chabad-huizen, over het openen van deuren in steden waar niemand ooit een Joodse aanwezigheid had verwacht. Hij geloofde dat elke Jood, waar ook ter wereld, een drager was van een onuitputtelijke vonk, en dat het werk van de gemeenschap niet was om mensen terug te halen naar een centrum, maar om het centrum naar hen toe te brengen.
De Rebbe had een manier van spreken die tegelijk eenvoudig en ontregelend was. Hij kon een vers uit de Tora nemen dat je al honderd keer had gehoord, en het zo draaien dat het ineens een venster werd op je eigen leven. Hij sprak over ge’oelah (bevrijding) niet als een verre eschatologische droom, maar als een opdracht om in het hier en nu iets van verlossing te belichamen. Hij sprak over ahavat Jisraël (liefde voor Israël) niet als een vrome plicht, maar als een manier van kijken: de ander zien zoals God hem ziet, niet zoals jouw angst hem afbeeldt. En hij sprak over verantwoordelijkheid niet als last, maar als waardigheid.
Wat mij het meest raakt op zijn Jahrzeit is hoezeer de Rebbe een tegenstem was in een eeuw van cynisme. Terwijl de wereld zich steeds meer liet leiden door wantrouwen, polarisatie en machtspolitiek, sprak hij over vertrouwen, over de kracht van een enkel goed woord, over de mogelijkheid dat één mens een hele stad kan veranderen. Hij geloofde dat elke ontmoeting een kruispunt was waarop de wereld een andere richting kon inslaan. En hij geloofde dat God niet ver weg was, maar aanwezig in de kleinste handeling van goedheid, in de glimlach van een kind, in de stilte van een gebed.
De Jahrzeit is voor mij geen dag van nostalgie – want uiteraard heb ik hem nooit ontmoet en niet gekend – maar van opdracht. De Rebbe zou nooit hebben gewild dat men hem herdacht als een monument, maar als het beginpunt van een beweging. Zijn leven was een voortdurende uitnodiging om de wereld niet te accepteren zoals zij is, maar zoals zij bedoeld is. Om licht te brengen waar duisternis vanzelfsprekend lijkt. Om verantwoordelijkheid te nemen waar anderen wegkijken. Om de vonk in de ander te zien, zelfs wanneer die verborgen is onder lagen van pijn, twijfel of afstand.
Misschien is dat de reden dat zijn invloed nog steeds groeit, zelfs decennia na zijn overlijden. De Rebbe leeft niet voort omdat mensen hem herinneren, maar omdat mensen zijn werk voortzetten. Elke chabad-rabbijn die een deur opent in een verre stad, elke student die een kaars aansteekt op vrijdagavond, elke reiziger die onverwacht een maaltijd vindt in een chabad-huis aan de rand van de wereld — zij zijn de echo van zijn stem, de voortzetting van zijn blik.
Op zijn Jahrzeit is het goed om even stil te staan bij de vraag die hij iedereen stelde, telkens opnieuw: Wat kun jij vandaag doen om de wereld lichter te maken? Niet als slogan, maar als existentiële vraag. Niet als opdracht van buitenaf, maar als uitnodiging van binnenuit. De Rebbe geloofde dat elke ziel een unieke taak heeft die niemand anders kan vervullen. En dat de wereld wacht op precies dat licht.
En voor de wereld wilde hij ook een licht zijn. De invloed van de Lubavitcher Rebbe op de niet‑Joodse wereld is een van de meest opmerkelijke aspecten van zijn nalatenschap. Terwijl veel religieuze leiders zich beperken tot hun eigen gemeenschap, zag de Rebbe de mensheid als één geheel, waarin elke ziel — Joods of niet — een unieke rol speelt in het heilig maken van de wereld. Hij sprak over sheva mitsvot benei Noach, de zeven universele geboden voor de mensheid, niet als een abstracte morele code, maar als een levend kader voor rechtvaardigheid, compassie en verantwoordelijkheid. In zijn visie was de wereld niet verdeeld in binnen en buiten, maar in mensen die zich bewust zijn van hun goddelijke opdracht en mensen die nog gewekt moeten worden tot die bewustwording.
De Rebbe’s brieven aan presidenten, wetenschappers en kunstenaars getuigen van die universele blik. Hij schreef aan Ronald Reagan over de noodzaak van moreel onderwijs, aan Mikhail Gorbatsjov over de spirituele wedergeboorte van Rusland, aan economen over ethiek in handel en technologie. Zijn woorden waren nooit politiek, maar profetisch: hij zag in elke maatschappelijke structuur een kans om de schepping te vervolmaken. Zelfs zijn ontmoetingen met niet‑Joodse bezoekers in Brooklyn waren geladen met diezelfde ernst — alsof hij in ieder mens een vonk van het goddelijke herkende die wachtte om aangeraakt te worden.
Wat de Rebbe bracht aan de niet‑Joodse wereld was geen bekeringsdrang, maar een uitnodiging tot verantwoordelijkheid. Hij geloofde dat de wereld niet gered wordt door uniformiteit, maar door samenwerking tussen verschillende vormen van goedheid. Zijn invloed leeft voort in universiteiten die ethiek in wetenschap onderwijzen, in leiders die spreken over morele plicht, in mensen die — zonder ooit een chassidische tekst te hebben gelezen — handelen vanuit het besef dat hun keuzes ertoe doen. De Rebbe leerde dat heiligheid niet begint in de synagoge, maar op de straat; niet in een ritueel, maar in rechtvaardigheid.
Moge zijn herinnering ook voor niet-joden een zegen zijn, en moge zijn werk voortleven in elke daad van goedheid die vandaag wordt verricht.
Ha dag Robbert
Dank. Ik luisterde gisteren naar rabbi Y Y Jacobson een leerling van rabbi Schneerson. Is ook zeer inspirerend.