Drie kostbare gaven heeft de Heilige, gezegend zij Hij, aan Israël gegeven, en geen daarvan heeft Hij gegeven anders dan door middel van lijden.
Het zijn: de Thora, het land Israël en de komende wereld. Waaruit blijkt dat de Thora door middel van lijden werd gegeven? Zoals er staat: “Welzalig de mens die U tuchtigt, HEER, en die U onderwijst uit Uw wet” (Psalm 94:12). En het land Israël? Want er staat: “Zoals een man zijn zoon tuchtigt, zo tuchtigt de HEER, uw God, u” (Deuteronomium 8:5), en direct daarna volgt: “Want de HEER, uw God, brengt u in een goed land” (Deut. 8:7). En de komende wereld? Want er staat: “Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht, en de vermaningen van tucht zijn de weg ten leven” (Spreuken 6:23).
De uitspraak van R. Simeon b. Yochai in Berachot 5a over de drie grote gaven die God aan Israël heeft gegeven, behoort tot die korte rabbijnse formuleringen waarin een hele wereld van theologie en ervaring wordt samengebald. De Thora, het land Israël en de komende wereld worden genoemd als drie kostbare geschenken, maar meteen wordt daaraan toegevoegd dat geen van deze gaven zonder lijden is gegeven. Dat is geen bijkomstigheid, maar de sleutel tot het verstaan van de hele passage. De rabbijnen onderbouwen hun stelling met drie teksten uit de Tenach: Psalm 94:12, Deuteronomium 8:5 en Spreuken 6:23. Elk van deze verzen laat zien dat lijden niet een fout in Gods weg is, maar een noodzakelijke dimensie van vorming, groei en bestemming.
Psalm 94:12 zegt: “Welzalig de mens die U tuchtigt, HEER, en die U onderwijst uit Uw wet.” In de rabbijnse traditie betekent tucht niet straf, maar vorming. De Thora is geen bezit dat men in handen krijgt, maar een weg die men bewandelt, en die weg vormt de mens. De gave van de Thora vraagt daarom om discipline, om zelfonderzoek, om de bereidheid om oude patronen af te leggen. Rashi merkt op dat tucht de mens geschikt maakt om de Thora te dragen; de Midrasj vergelijkt de Thora met vuur dat verwarmt en verlicht, maar dat ook kan branden wanneer men haar zonder eerbied benadert. De Thora is een gave, maar een gave die de mens verandert, en die verandering gaat nooit zonder pijn.
Deuteronomium 8:5 verbindt lijden met het land Israël: “Zoals een man zijn zoon tuchtigt, zo tuchtigt de HEER uw God u.” De context is de woestijn, de plaats van honger, dorst en onzekerheid, maar ook van manna, water en nabijheid. De woestijn is geen straf, maar een pedagogiek. Israël leert daar vertrouwen, afhankelijkheid en gehoorzaamheid. Voor R. Simeon b. Yochai is dit het bewijs dat het land niet zonder lijden wordt ontvangen. De intocht gaat via de woestijn, en de woestijn vormt het volk tot een gemeenschap die het land kan dragen. Nachmanides benadrukt dat het land alleen kan worden ontvangen door een volk dat geleerd heeft te leven van Gods woord. Het land is een gave, maar een gave die vraagt om volwassenheid.
Spreuken 6:23 tenslotte zegt: “Want een gebod is een lamp en de onderwijzing een licht; de vermaningen van tucht zijn de weg ten leven.” De rabbijnen lezen dit als verwijzing naar de komende wereld. De weg naar het leven is niet een weg van gemak, maar van morele vorming, strijd tegen het kwaad en trouw aan Gods geboden. De tucht die hier genoemd wordt, is geen ontmoediging, maar een richtingwijzer. De komende wereld is een gave, maar een gave die vraagt om een weg van rechtvaardigheid. De mens wordt gevormd door de geboden, en die vorming is de weg naar het leven dat komt.
Wanneer men deze drie teksten samen leest, wordt duidelijk waarom alle drie gaven gepaard gaan met lijden. Wat werkelijk waardevol is, vormt de mens — en vorming gaat nooit zonder pijn. De Thora vormt het hart, het land vormt het volk, de komende wereld vormt het leven zelf. Lijden is in deze rabbijnse logica geen straf, maar een transformatieve kracht. Het maakt de mens ontvankelijk, nederig, open voor God. De gave is groot, en daarom is de voorbereiding intens.
Door de eeuwen heen hebben Joodse uitleggers deze verzen steeds gelezen als tekenen van Gods nabijheid. De Midrasj zegt dat God juist degene tuchtigt die Hij liefheeft. Maimonides legt de nadruk op morele vorming: tucht is de weg naar deugd. De woestijn is geen straf, maar een leerschool. De Thora is geen last, maar een bron van wijsheid. De komende wereld is geen beloning, maar de voltooiing van een weg die door het leven heen wordt gegaan.
De vraag wat men aan deze passage heeft, is niet moeilijk te beantwoorden. Zij herinnert eraan dat de grootste gaven nooit goedkoop zijn. De Thora vraagt om toewijding. Het land vraagt om verantwoordelijkheid. De komende wereld vraagt om een leven dat gericht is op recht en waarheid. De passage corrigeert elke neiging om Gods gaven te zien als vanzelfsprekendheden. Zij herinnert eraan dat de weg van Israël altijd een weg van vorming is geweest, en dat lijden daarin niet een teken van afwezigheid is, maar van nabijheid. Het lijden dat deze gaven begeleidt, is geen vernietiging, maar een voorbereiding. Het maakt de mens geschikt om te ontvangen wat anders te zwaar zou zijn.
Berachot 5a laat zien dat Gods grootste gaven altijd gepaard gaan met lijden, niet omdat God wreed is, maar omdat Hij de mens wil vormen tot een wezen dat zijn gaven kan dragen. De Thora, het land en de komende wereld zijn geen statische bezittingen, maar dynamische roepingen. Zij vragen om een hart dat bereid is te leren, te groeien, te lijden en te hopen. Lijden is in deze visie niet het einde, maar de doorgang naar leven.