In mijn eerdere blogs heb ik geschreven over de manier waarop Levinas religieuze tradities leest: niet als systemen die elkaar moeten overtroeven, maar als stemmen die elkaar ondervragen. Toch is het duidelijk dat zijn kritiek op het christendom scherper is dan zijn kritiek op welke andere traditie ook. Niet uit vijandigheid, maar omdat het christendom voor hem de religieuze buur is die het dichtst bij het Jodendom staat, en daarom ook de traditie die het meest zichtbaar maakt waar de wegen uiteenlopen. Levinas definieert het Joodse denken vaak in contrast met de christelijke theologie, vooral waar die volgens hem steunt op “mythe, mysterie en een bepaald soort heil.” Het is een contrast dat niet bedoeld is om te veroordelen, maar om helder te krijgen wat het Jodendom volgens hem te zeggen heeft in een wereld die na Auschwitz niet langer naïef kan spreken over verlossing.
Een van de scherpste verschillen situeert hij bij de incarnatie. Levinas zegt zonder omwegen dat voor een Jood de incarnatie van God “noch mogelijk, noch noodzakelijk” is. Dat is geen polemiek, maar een principiële uitspraak over hoe het goddelijke zich toont. Niet in een mens-god, niet in een vleesgeworden mysterie, maar in de ethische nabijheid van de ander. “Het goddelijke kan alleen door mijn naaste worden gemanifesteerd,” schrijft hij. Het is een zin die de kern van zijn denken samenvat: God verschijnt niet in een theologisch drama, maar in de kwetsbaarheid van het gelaat dat mij aankijkt en mij verantwoordelijk maakt. Levinas zegt dat hij “graag het parallelisme aanvaardt” met de christelijke theorie van de kenosis, het zelfontledigen van God, maar hij voegt er meteen aan toe dat de christelijke invulling van kenosis voor hem “gesloten blijft.” De gedachte dat God zichzelf leegmaakt in een menselijk lichaam is voor hem niet alleen vreemd, maar ook onnodig: de leegmaking van God gebeurt in de ethische relatie, niet in een metafysisch mysterie.

Daarmee raakt hij aan een tweede verschil: het contrast tussen geloof en wet. Levinas ziet het christendom als een traditie die de nadruk legt op geloof, sacrament en de “bovennatuurlijke bestemming van de menselijke ziel”. Het jodendom daarentegen richt zich op de wet, op handelen, op concrete daden van gerechtigheid. Hij vertelt graag het verhaal van een leerling die zijn geloof verloor en naar zijn rabbi ging. De rabbi antwoordde: “Wie vraagt je om geloof? Goed doen ís de daad van geloof.” Het is een van die zinnen die Levinas graag citeert, omdat ze de kern van zijn kritiek op een te spirituele religie blootlegt. Wat christelijke theologen soms afdoen als een “hardnekkige gehechtheid aan de letter” — legalisme — is voor Levinas juist een weigering om te vervallen in een vage spiritualiteit. De wet is geen koude letter, maar een bescherming tegen religieuze abstractie. Hij spreekt daarom liever over een “innerlijke moraliteit” dan over “uitwendig dogmatisme”. De wet is niet de vijand van de geest, maar haar vorm.
Dat wordt nog duidelijker wanneer Levinas spreekt over lijden en verzoening. Zijn beroemde concept van “substitutie” — verantwoordelijk zijn voor de ander, zelfs voor diens fouten — lijkt grammaticaal op de christelijke taal van plaatsvervangend lijden. Maar de gelijkenis is misleidend. In het christendom is Christus de “offerplaatsvervanger” die “eens en voor altijd” de verantwoordelijkheid op zich neemt. Bij Levinas is substitutie geen kosmisch drama, maar een ethische structuur van het subject. Het is geen theologische gebeurtenis, maar een menselijke conditie. Ik ben verantwoordelijk voor de ander, niet omdat een goddelijk offer dat mogelijk maakt, maar omdat het gelaat van de ander mij aanspreekt. Levinas is bovendien uiterst voorzichtig met elke vorm van verheerlijking van lijden. Hij kent de christelijke neiging om lijden als verlossend te zien, maar na de Holocaust is dat voor hem onhoudbaar. Lijden is geen weg naar heil, geen mysterie dat moet worden omarmd. Het is een schandaal dat vraagt om genezing, niet om sacralisering.
In dat licht wordt ook zijn onderscheid tussen liefde en gerechtigheid begrijpelijk. Levinas associeert het christendom vaak met “liefdadigheid” en het jodendom met “gerechtigheid.” Niet omdat het ene goed is en het andere slecht, maar omdat beide tendensen volgens hem in de werkelijkheid aanwezig zijn en elk hun eigen risico’s hebben. Liefdadigheid is noodzakelijk, maar zonder gerechtigheid kan ze omslaan in wat hij noemt “de dubbelzinnige gloed van de liefde” — een vurigheid die de ander kan overweldigen in plaats van bevrijden. Liefde zonder wet kan verstikkend worden. Gerechtigheid daarentegen reguleert menselijke verhoudingen, begrenst macht en voorkomt dat religieuze liefde zich verliest in sentimentaliteit. Het is de wet die de liefde bewaart voor haar eigen excessen.
Wat mij telkens treft wanneer ik Levinas lees, is dat zijn kritiek op het christendom nooit neerkomt op een afwijzing. Hij ziet het christendom als een traditie met een eigen roeping, een eigen universalistische impuls, een eigen bijdrage aan de geschiedenis van de mensheid. Maar hij weigert om die roeping te laten ontsporen in mysterie, mythe of een spiritualiteit die de wereld vergeet. Zijn kritiek is een uitnodiging: om religieuze taal te zuiveren van haar neiging tot ontsnapping, om heil niet los te maken van verantwoordelijkheid, om het goddelijke niet te zoeken in het bovennatuurlijke, maar in de nabijheid van de ander.
Misschien is dat wel de rode draad die al mijn eerdere blogs over Levinas verbindt: dat religie pas geloofwaardig wordt wanneer zij weigert te vluchten in het verhevene. Dat het goddelijke niet verschijnt in een kosmisch drama, maar in de kwetsbaarheid van het gelaat dat mij aankijkt. En dat elke traditie — Joods, christelijk of anders — zich moet laten bevragen door die ene zin die Levinas nooit moe wordt te herhalen: “Het goddelijke kan alleen door mijn naaste worden gemanifesteerd.” Juist en vooral als die naaste een jood is.
Dat is geen theologie van ontsnapping, maar een theologie van nabijheid. Geen geloof dat de wereld relativeert, maar een geloof dat haar serieus neemt. Geen verlossing die van boven komt, maar een verlossing die begint waar ik de ander ontmoet.