Levinas en de God-Mens

De Nederlandse versie:

Vandaag duiken we in een van de meest diepgaande filosofische uitdagingen voor een kernprincipe van het christendom. We hebben het over Immanuel Levinas en zijn krachtige bezwaar tegen het idee van de incarnatie, het concept van een mens-god.

En dit is niet zomaar een abstract theologisch debat. Voor Levinas ging het om de hoogste ethische inzet die je je kunt voorstellen, gevormd door zijn ervaring van de diepste verschrikkingen van de 20e eeuw. Deze quote, wauw, hij raakt precies de kern. Je moet je herinneren dat Levinas schrijft na Auschwitz. En vanuit dat perspectief was het idee van een machteloze god, een god die geen verdediging biedt aan het kruis terwijl de mensheid wordt afgeslacht, ethisch ondraaglijk. Voor hem was Gods stilte in het aangezicht van dat soort lijden geen mysterie om te aanbidden. Het was een probleem dat, zoals hij zei, de mens te veel kost. Dus de vraag is, hoe komt hij tot dit punt? Hoe kan een filosofie die helemaal draait om onze ethische plicht jegens elkaar leiden tot zo’n sterke afwijzing van de mens-god?

Om zijn conclusie echt te begrijpen, moeten we beginnen waar hij begint, met een diep, diep wantrouwen jegens de westerse filosofie zelf. Oké, dus onze eerste stap is om echt te begrijpen wat Levinas zag als deze fundamentele fout in de hele westerse gedachte, een probleem dat hij de besmetting van het zijn noemde. Denk erover na. Eeuwenlang is de filosofie gedomineerd door de ontologie. Het is deze drang om te weten, te definiëren, alles te categoriseren, om alles, inclusief God, in één groot samenhangend systeem van zijn te passen. Het hele doel is om de realiteit te begrijpen, om het onbekende bekend te maken.

Maar hier zit het probleem. Voor Levinas is die daad van proberen te begrijpen een soort geweld. Hij betoogde dat door te proberen God te definiëren, door te proberen God een object te maken dat onze geest kan bevatten, de filosofie eigenlijk datgene vernietigt wat het meest essentieel is aan God: zijn absolute transcendentie, zijn complete en totale andersheid die voorbij ons begrip zou moeten zijn.

En dit raakt de kern van zijn punt. Wanneer je probeert God in ons denksysteem te brengen, wanneer je probeert hem een wezen onder andere wezens te maken, zelfs als je hem het opperwezen noemt, besmet je het oneindige met het eindige. Je reduceert dit ongelooflijke goddelijke mysterie tot slechts een ander concept dat we kunnen beheersen. En door dat te doen, verlies je juist datgene wat God God maakt.

Oké, dus als God niet te vinden is binnen onze filosofische systemen, als dat een doodlopende weg is, waar wordt het goddelijke dan onthuld?

Levinas heeft een radicale en diep ethische alternatieve visie. Voor Levinas verschijnt het goddelijke niet in een abstracte gedachte of mystieke ervaring. Nee, het wordt ontmoet in het zeer reële, zeer concrete ethische moment dat je hebt met Autrui, de andere persoon. Het gezicht van de ander is niet alleen hun fysieke kenmerken, het is hun totale kwetsbaarheid, hun sterfelijkheid, en het ethische bevel dat het aan jou geeft zonder een woord te spreken: gij zult niet doden. En dit schetst een heel scherp contrast.

Kijk, traditionele filosofie is altijd op zoek naar een God die aanwezig is, die gekend kan worden. Maar Levinas zegt dat dit volledig verkeerd is. God is nooit direct aanwezig. In plaats daarvan krijgen we alleen een spoor, zoals het kielzog van een schip, het teken van een God die al voorbij is gegaan. En waar vind je dat spoor? Je vindt het in het oneindige gevoel van verantwoordelijkheid dat je voelt voor de ander die recht voor je staat.

Nu, laten we hier absoluut duidelijk over zijn, want het is een cruciaal punt. De naaste, de ander, is geen incarnatie van God. Ze zijn geen soort bemiddelaar. Voor Levinas is de ethische eis die van hun gezicht komt de openbaring. De relatie die ik heb met mijn naaste, die onontkoombare plicht die ik jegens hem heb, dat is de enige echte, betekenisvolle relatie die ik ooit met het goddelijke kan hebben.

Dus, nu we dit ethische kader hebben, kunnen we precies zien waarom het christelijke idee van een machteloze, lijdende God zo diep problematisch wordt voor Levinas. Er is een christelijke doctrine genaamd kenosis. En het gaat helemaal over Gods zelfontlediging, het idee dat God mens werd, kwetsbaar werd en uiteindelijk machteloos werd aan het kruis.

Theologisch wordt dat vaak gezien als de grootste daad van liefde. Maar ethisch? Voor Levinas is het een complete catastrofe. En hier is het cruciale punt. In het licht van echte, historische gruwelen, zoals de Holocaust, faalt een God die ervoor kiest machteloos te zijn, een God die niet ingrijpt om de moordenaars te stoppen, voor de meest basale ethische test die er is. De menselijke kosten van dat soort goddelijke niet-ingrijpen zijn gewoon te hoog. Het is ondraaglijk.

Levinas breekt het echt open in een paar specifieke problemen. Ten eerste is er het probleem van de situering, de locus. Het posotioneert de openbaring in één enkele bijzondere persoon. En dat leidt af van de goddelijke roep die je zou moeten horen in het gezicht van elke vreemdeling, elke weduwe, elke wees.

Ten tweede wijst hij op deze verschrikkelijke historische paradox. De weerloze Christus werd uiteindelijk het vaandel waaronder de legers van de kruistochten marcheerden. En tenslotte, en het meest direct, deze God handelde niet. Hij kwam niet van het kruis om de moordenaars te stoppen.

En dit alles leidt ons naar zijn laatste kernbezwaar, dat alles te maken heeft met de aard van verantwoordelijkheid en dit hele concept van substitutie. Om Gods absolute andersheid te beschermen, gebruikt Levinas de term ‘Ileity’, wat letterlijk ‘hij-zijn’ betekent. God is de afwezige hij die de bron is van mijn verantwoordelijkheid tegenover het jij van de ander. En wat dit doet, is elke poging stoppen om God te veranderen in een vertrouwde partner, een absolute gij, wat precies is wat de incarnatie lijkt te impliceren.

En hier zien we een groot verschil. In de christelijke gedachte is Christus de plaatsvervanger die onze verantwoordelijkheid op zich neemt, die onze plaats inneemt. Het is een goddelijke daad van verlossing. Maar voor Levinas is substitutie de definitie van mens-zijn. Ik ben de gastvrouw of gastheer. Ik ben oneindig verantwoordelijk voor de ander. En dat is een taak die niemand kan overnemen. voor mij. Dit is de ethische ondergrens voor hem.

Het idee dat een goddelijke bemiddelaar mijn verantwoordelijkheid voor mij kan overnemen, nou, dat kan een alibi worden, een excuus voor mij om niets te doen. Mijn plicht jegens de ander is oneindig. Het is persoonlijk, en je kunt het niet delegeren. Niemand kan verantwoordelijk zijn in mijn plaats.

Dus waar laat dit ons? Wel, Levinas’ kritiek komt samen in een laatste, krachtige en eerlijk gezegd verontrustende uitdaging. Wanneer je alles samenvat, ziet Levinas de god-mens als een terugtrekking, een terugtrekking recht terug in die besmetting van het zijn die hij probeerde te ontvluchten. Het maakt van God een kenbare, troostende figuur die in ons systeem past. En het gevaar van dat soort troost is dat het ons kan afleiden van de moeilijke, ongemakkelijke, oneindige ethische eis die recht voor onze neus staat. Het gezicht van een ander mens.

En zo blijven we achter met deze echt zware vraag. Draagt de figuur van de god-mens, hoe diepgaand of betekenisvol het ook mag zijn voor velen, een diepgaand ethisch risico met zich mee? Zou het een alibi voor onverschilligheid kunnen worden? Een reden voor ons om naar de hemel te kijken en daarbij het gezicht van de lijdende persoon hier op aarde te negeren? Dat is de uitdaging die Levinas ons allemaal voorlegt.

Dit bericht is geplaatst in Jodendom, polemiek. Bookmark de permalink.

2 reacties op Levinas en de God-Mens

  1. Bart Santema schreef:

    Dank Robbert
    Het lijkt mij dat het één het ander niet hoeft uit te sluiten.
    Juist in verbinding worden beide wijzen van geloven/denken/leven voo ethisch misbruik behoed. Inhoudelijk vult de geïncarneerde God, Jezus Christus, de verantwoordelijkheid die de ander te weeg brengt in.

  2. Piet de Leeuw van Weenen schreef:

    Tegen de gedachte dat God niets doet, dat Hij Zich terugtrekt:
    stel dat er 1 miljard christelijke gelovigen zijn: is dat dan niet een miljardvoudige strijd tegen het kwaad, een miljardvoudige dienst aan de naaste die in nood is?
    Zoals een christen mag vertrouwen op de inwonende Heilige Geest om hem te wijzen op wat er te doen is, onder de bevrijding
    (door plaatsvervangend sterven van Christus)
    van de macht van Satan, die de mens gevangen houdt in onmacht en onwil.

    Denk bijvoorbeeld aan de woorden van Christus:
    “wat gij ook vraagt in mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de zoon verheerlijkt wordt.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *