Leviathan en Behemot – of krokodil en nijlpaard?

In mijn preek van vandaag – zie een van de vorige blogs – heb ik aangevoerd dat het lijden van de rechtvaardige een verklaring krijgt in het boek, wanneer God spreekt over de chaosmachten in de wereld: de Leviathan als bovenmenselijke macht en de Behemot als de binnenmenselijke macht. Hieronder geef ik een verklaring over de herkomst van die interpretatie.


De passages over Behemoth en Leviathan in Job blijven tot de verbeelding spreken. Ze staan daar, bijna achteloos door God zelf opgevoerd, als twee schepselen die Job moeten laten voelen hoe beperkt zijn blik is. “Zie toch Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals jou” (Job 40:15). “Kun jij Leviathan met een vishaak trekken?” (Job 41:1). Het zijn zinnen die de eeuwen door blijven resoneren, omdat ze meer suggereren dan ze zeggen. De tekst zelf geeft geen uitleg. Er is geen moraal, geen allegorie, geen demonologie. Alleen de overweldigende aanwezigheid van twee wezens die zich aan menselijke beheersing onttrekken.

Toch begint de interpretatiegeschiedenis al vroeg te bewegen. In Tenach duikt Leviathan vaker op, steeds in de buurt van de oerkrachten van chaos. Psalm 74 spreekt over de koppen van Leviathan die door God verbrijzeld worden. Jesaja 27 schildert hem als de kronkelende slang die op de dag van de HEER wordt gestraft. Het zijn echo’s van oudere, Ugaritische mythes waarin Lotan, de zeeslang, door de stormgod wordt verslagen. Behemoth blijft in deze teksten op de achtergrond, maar wordt al snel gezien als de tegenhanger van Leviathan: het monster van het land tegenover het monster van de zee. In deze vroege fase zijn het geen morele figuren, maar kosmische symbolen van orde en chaos.


Wanneer je deze twee figuren uit Job naast het beest uit de zee en het beest uit de aarde in Openbaring legt, ontstaat er een opvallende resonantie, alsof de apocalyptische verbeelding van Johannes teruggrijpt op dezelfde oersymboliek. In Openbaring 13 komt het ene beest op uit de zee, de plaats van dreiging, chaos en onvoorspelbaarheid; het andere uit de aarde, de plek van menselijke bewoning, macht en verleiding. De parallel met Leviathan en Behemoth is niet één-op-één, maar de structuur is verwant: een bovenmenselijke, kosmische macht die uit de diepte oprijst, en een aardse macht die dichter bij de mens staat en hem vanuit zijn eigen wereld verleidt of bedreigt. In beide gevallen gaat het om een dubbele beweging van kwaad of ontwrichting: iets dat van buitenaf over de mens heen kan slaan, en iets dat van binnenuit of vanuit de menselijke orde zelf kan ontsporen. De beelden van Job en Openbaring versterken elkaar zo in hun intuïtie dat de wereld niet slechts door één soort dreiging wordt getekend, maar door een samenspel van krachten die zowel boven de mens uitstijgen als door hem heen werken — en dat de strijd om recht en heil zich precies in dat spanningsveld afspeelt.


In de joodse literatuur van de Tweede-Tempelperiode krijgen de twee monsters een nieuwe rol. In 1 Henoch 60 worden ze gescheiden bij de schepping: Leviathan in de diepte van de zee, Behemoth op een ontoegankelijke berg in de woestijn. In 4 Ezra 6 bewaart God hen tot de eindtijd. De wereld wordt zo voorgesteld als een arena waarin twee oerwezens wachten op hun laatste rol. De dualiteit wordt sterker, maar nog steeds zonder psychologische of morele lading. Het zijn eschatologische figuren, geen innerlijke demonen.

Pas in de vroege christelijke traditie verschuift de betekenis. Bij Gregorius de Grote, in zijn Moralia in Job, wordt Leviathan geïdentificeerd met Satan, de macht die mensen in zijn greep houdt. Augustinus verwijst naar hem als de demonische tegenstander die door Christus wordt overwonnen. Behemoth krijgt minder aandacht, maar wordt soms gezien als beeld van brute, aardse kracht of menselijke hoogmoed. De monsters worden zo onderdeel van een morele kosmos waarin goed en kwaad tegenover elkaar staan. De stap van chaos naar demonologie is gezet.

In de moderne tijd verschuift het perspectief opnieuw. De vraag is niet langer hoe deze wezens zich verhouden tot een kosmische strijd, maar wat ze zeggen over de menselijke ervaring. Commentatoren als Brueggemann, Terrien en Alter benadrukken dat Behemoth en Leviathan staan voor krachten die zich aan menselijke controle onttrekken — natuur, lijden, dood, de ondoorgrondelijkheid van het bestaan. De monsters worden existentiële symbolen. Carl Gustav Jung gaat nog een stap verder in zijn Answer to Job: Behemoth wordt voor hem de belichaming van de aardse, instinctieve schaduw, Leviathan de kosmische, overweldigende schaduw die de psyche bedreigt. Hier ontstaat de tweedeling die in veel pastorale literatuur is terug te vinden: het kwaad dat in de mens woont en het kwaad dat boven de mens uitstijgt.

In hedendaagse spiritualiteit, vooral in evangelicale kringen, wordt deze tweedeling explicieter. Timothy Keller spreekt over Behemoth als de menselijke neiging tot trots en rebellie, en over Leviathan als de macht van het kwaad die groter is dan de mens. Derek Kidner ziet in Behemoth de brute kracht van de natuur en de mens, en in Leviathan de chaotische, demonische macht. Het zijn interpretaties die niet uit de tekst van Job zelf voortkomen, maar uit de behoefte om de beelden van Job te verbinden met de morele en psychologische vragen van vandaag.

Wat blijft, is dat Behemoth en Leviathan zich steeds opnieuw laten lezen. Ze zijn groot genoeg om telkens nieuwe betekenissen te dragen. In Job staan ze als schepselen die Job moeten laten zien dat hij niet het centrum van de wereld is. In de traditie worden ze monsters van chaos, demonen van het kwaad, archetypen van de psyche. Misschien is dat precies hun kracht: dat ze zich niet laten vastleggen, maar telkens opnieuw de vraag stellen hoe wij omgaan met wat ons overstijgt — in de wereld, in de geschiedenis, en in onszelf.

In dat licht wordt duidelijk waarom ik ervoor kies om Leviathan te verstaan als een bovenmenselijke chaoskracht en Behemoth als een binnenmenselijke, psychologische oerkracht. Niet omdat de tekst van Job ons daartoe dwingt, maar omdat deze lezing iets blootlegt van de strekking van Gods antwoord. Job vraagt waarom de rechtvaardige lijdt, waarom de wereld niet eenvoudigweg rechtvaardig is als God haar geschapen heeft. Het antwoord dat hij krijgt, is geen theodicee, maar een onthulling: de schepping is niet een afgerond, gladgetrokken geheel, maar een wereld waarin krachten werkzaam zijn die zich aan menselijke beheersing onttrekken. Leviathan belichaamt die bovenmenselijke, kosmische dreiging die soms zomaar over een mens heen kan slaan, zodat je kunt denken aan staatsmacht; Behemoth verbeeldt de oerkrachten die in de mens zelf huizen, de driften, angsten en verlangens die hem kunnen meesleuren. In beide gevallen gaat het om machten die werkelijk zijn, die niet eenvoudig door een morele keuze kunnen worden geneutraliseerd.

Juist zo wordt zichtbaar dat God in Job niet verschijnt als de Almachtige die met één gebaar alle chaos kan wegvagen, maar als de Schepper die in een voortdurende strijd gewikkeld is met deze machten en die toch de wereld niet opgeeft. (Geen tweede zondvloed…) Hij temt Leviathan niet door hem te vernietigen, maar door hem te begrenzen. Hij maakt Behemoth niet onschadelijk, maar houdt hem wel in zijn hand. Het lijden van de onschuldige wordt daarmee niet verklaard, maar wel gesitueerd: het vindt plaats in een schepping die nog onderweg is, waarin God niet afwezig is, maar ook niet alles al voltooid heeft. De heilsgeschiedenis is geen decor, maar een proces waarin God de chaosmachten niet ontkent, maar ze stap voor stap terugdringt. Job wordt daarin betrokken; zijn taak is het, ondanks alles, te blijven vertrouwen op Gods heilsplan, ondanks het lijden dat hem als rechtvaardige toch treft.

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Exegese, preekvoorbereiding, Theologische kritiek. Bookmark de permalink.

Eén reactie op Leviathan en Behemot – of krokodil en nijlpaard?

  1. Bart Santema schreef:

    Mooie uitleg Robbert en gedegen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *