Leerde Paulus de erfzonde? Een herlezing van Romeinen 5 en 7 voorbij Augustinus en de Reformatie

Voor de meeste westerse christenen lijkt het idee van erfzonde onlosmakelijk verbonden met de apostel Paulus. Romeinen 5 en Romeinen 7 worden al eeuwenlang gezien als de fundamenten van een leer die stelt dat alle mensen de schuld van Adam erven, verdorven geboren worden en niet in staat zijn het goede te kiezen zonder goddelijke interventie. Toch is deze leer, zo vertrouwd in het Latijnse Westen, verre van overtuigend en wordt zij in de Rabbijnse traditie, maar ook bij de Griekse kerkvaders beslist tegengesproken. Sterker nog: deze leer is niet eens echt oud. Wanneer we buiten de augustinische en protestantse tradities gaan kijken en Paulus opnieuw beluisteren door de oren van de Griekse kerkvaders — en door de lens van moderne Paulusstudies — verschijnt er een heel ander beeld.

In deze bijdrage wil ik demonstreren hoe Augustinus de westerse leer van de erfzonde vormde, hoe de protestantse reformatoren zijn lezing overnamen, hoe de Griekse Vaders Paulus anders begrepen, en hoe de New Perspective on Paul ons uitnodigt om Paulus’ eigen Joodse stem uit de eerste eeuw opnieuw te horen.


Om te beginnen moeten we dit vaststellen:

De westerse leer van de erfzonde begint niet bij Paulus, maar bij Augustinus.

Zijn interpretatie van Romeinen 5:12 — vooral via de Latijnse vertaling in quo omnes peccaverunt (“in wie allen gezondigd hebben”) — bracht hem ertoe te concluderen dat Adams schuld biologisch wordt doorgegeven aan de hele mensheid.¹ Augustinus’ theorie dat concupiscentie (sexuele begeerte)  het mechanisme van overdracht is, mede gevormd door zijn lange worsteling met het manicheïsme, creëerde een krachtige synthese: de mens wordt schuldig, verdorven en tot zonde geketend geboren.²

Dit was niet de visie van oudere christelijke denkers. De Griekse Vaders verwierpen het idee van erfzonde, van erfelijke schuld volledig en hielden vol dat mensen sterfelijkheid erven, niet zonde.³ Maar Augustinus’ interpretatie werd dominant in het Latijnse Westen en zou duizend jaar later de Reformatie diepgaand beïnvloeden.


Maarten Luther geloofde dat hij terugkeerde naar Paulus, maar hij deed dat als een augustijner monnik die diepgaand door Augustinus’ geschriften was gevormd. Zijn antropologie — de knechtschap van de wil, totale verdorvenheid, de onmogelijkheid om zonder genade het goede te kiezen — is uitgesproken augustinisch.⁴ Calvijn volgde Luther in hetzelfde spoor en bouwde een systematische theologie op het fundament dat Augustinus had gelegd.⁵ Heel de leer van de predestinatie en alle problemen die dat gaf, zijn te herleiden op de gedachte aan de zondeval, de erfzonde en de erfschuld die geen volledige onderbouwing vinden in de tekst van Paulus zelf en zeker niet te herleiden zijn op een nauwkeurige exegese van Genesis 3, zoals ik in een volgende blogpost hoop aan te tonen.

Toen de reformatoren Romeinen 5 en 7 lazen, deden zij dat met behulp van de hoofdbegrippen van Augustinus. Romeinen 5 werd het exegetische fundament voor de  erfelijke schuld; Romeinen 7 werd het universele portret van de menselijke toestand onder de zonde.⁶ De reformatoren dachten dat zij Paulus interpreteerden zoals Paulus het bedoeld had, maar zij lazen Paulus zoals Augustinus het Westen had geleerd hem te lezen.


Wanneer we de taal- en cultuurgrens naar het Griekse Oosten oversteken, vinden we een radicaal andere interpretatie van Paulus. De Griekse Vaders — Chrysostomos, Gregorius van Nyssa, Basilius, Athanasius — leerden geen erfzonde in augustinische zin. Zij zagen Adams overtreding als de introductie van sterfelijkheid, niet van schuld.⁷ Mensen zondigen omdat zij sterfelijk en kwetsbaar zijn, omdat ze onvoldoende weerstand kunnen bieden aan de macht van de zonde in de wereld en in henzelf, niet omdat zij Adams schuld of verdorvenheid erven.

Hun lezing van Romeinen 5 en 7 weerspiegelt deze antropologie. Romeinen 5 beschrijft de verspreiding van de dood, niet de toerekening van schuld (Romeinen 5:12–14). Romeinen 7 beschrijft de worsteling van Israël onder de Wet, of de ervaring van een onvolwassen gelovige, niet de universele menselijke toestand (Romeinen 7:7–25).⁸ De wil is gewond, maar niet vernietigd, en genade geneest, in plaats van enkel vrij te spreken.

De tegenstelling tussen de Griekse en Latijnse traditie wordt duidelijk in de volgende tabel:

Thema Griekse Vaders Augustinus & Reformatie
Wat de mens van Adam erft Sterfelijkheid Schuld en verdorvenheid
Aard van de zonde Ziekte, zwakte Totale verdorvenheid
Romeinen 5 Dood verspreidt zich omdat allen zondigen Adams schuld wordt aan allen toegerekend
Romeinen 7 Israël onder de Wet of onvolwassen gelovige Universele menselijke knechtschap
Wil Gewond maar vrij Gebonden en machteloos
Heil Genezing (meer aan God gelijk worden) Rechtvaardiging (juridisch, vrijspraak)

De Griekse Vaders zagen bij Paulus een doctrine van de genezing van de mensheid, voor hen was hij niet niet de verdediger van erfelijke schuld.


Deze benadering van de Griekse Vaders vinden we ook terug in onze tijd. Moderne Paulusstudies — vooral de New Perspective on Paul, vertegenwoordigd door E. P. Sanders, James D. G. Dunn en N. T. Wright — hebben de vraag opnieuw gesteld wat Paulus werkelijk bedoeld heeft in Romeinen 5 en 7. De New Perspective stelt dat Paulus’ zorgen verbonden waren met de kwestie van de status van het verbond met Israel, en niet van psychologische aard waren; het draaide voor Paulus om de verbonds-gemeenschap, niet om het  individu. Paulus dacht in termen van de eindtijd en zijn leer van de zonde is daarom eschatologisch, niet biologisch.⁹

Romeinen 5 gaat in deze manier van lezen niet over de vraag hoe de zonde van Adam op zijn nakomelingen wordt overgedragen. Het gaat over twee heerschappijen: die van Adam (gekenmerkt door de dood) en die van Christus (gekenmerkt door leven). Paulus’ punt is niet dat Adams schuld aan allen wordt toegerekend, maar dat Adams daad een tijdperk van dood inluidde — een tijdperk waaruit Christus de mensheid bevrijdt (Romeinen 5:15–21).¹⁰

Romeinen 7 is evenmin een universele beschrijving van menselijke verdorvenheid. Het is Paulus die spreekt als Jood onder de Torah, en Israëls worsteling met de Wet dramatiseert. Het “ik” van Romeinen 7 is niet ieder mens; het is het verhaal van Israël, opnieuw verteld met Paulus’ retorische stem.¹¹

De New Perspective sluit daarmee opvallend nauw aan bij de Griekse Vaders:

Thema Griekse Vaders New Perspective on Paul
Wat van Adam wordt geërfd Sterfelijkheid Deelname aan Adams levenssfeer
Romeinen 5 Dood verspreidt zich omdat allen zondigen Adam en Christus als twee tijdperken
Romeinen 7 Israël onder de Wet Israëls ervaring, geen universele verdorvenheid
Antropologie Gewond maar vrij Paulus doet niet aan psychologie
Heil Genezing en transformatie Deelname aan de nieuwe verbondsgemeenschap

De New Perspective ontkent niet dat Paulus Adam belangrijk vindt. Zij ontkent dat Paulus de augustinische leer van de erfzonde onderwijst.


Wanneer we afstand nemen van de enorme invloed van Augustinus, zien we een opvallend patroon. De Griekse Vaders lazen Paulus niet als iemand die erfzonde onderwees. De New Perspective leest Paulus evenmin zo. Alleen het Latijnse Westen — gevormd door Augustinus en overgenomen door de Reformatie — ontwikkelde deze leer als centraal onderdeel van de christelijke antropologie.

Dat betekent voor mij dat Augustinus ongelijk had door zich te laten beinvloeden door het Manicheisme, en dat de reformatoren zich vergisten. Het betekent dat hun lezing van Paulus een heilloze traditie is en absoluut niet de enige mogelijke interpretatie van Paulus bevat. Dat inzicht maakt het noodzakelijk voor ons om Paulus opnieuw te lezen in zijn eigen Joodse  context uit de eerste eeuw, waarin hij niet spreekt over erfelijke schuld maar over de overgang van Adams wereld van de dood naar Christus’ nieuwe wereld van leven.

Het is tijd tijd om Paulus weer Paulus te laten zijn — en de rijkdom te herontdekken van een theologisch landschap dat veel meer is ingebed in de Rabbijnse traditie dan we ons bewust zijn.


Noten

  1. Augustinus, Contra Iulianum 6.22; zie ook Augustinus’ gebruik van de Oudlatijnse vertaling van Romeinen 5:12.
  2. Augustinus, De nuptiis et concupiscentia 1.23–25.
  3. John Meyendorff, Byzantine Theology (New York: Fordham University Press, 1974), 143–150.
  4. Maarten Luther, Lectures on Romans, vooral het commentaar op Romeinen 5.
  5. Johannes Calvijn, Institutie van de Christelijke Religie II.1–3.
  6. Alister McGrath, Iustitia Dei: A History of the Christian Doctrine of Justification, deel 1 (Cambridge University Press, 1986), 58–75.
  7. Johannes Chrysostomos, Homilies on Romans 10; Gregorius van Nyssa, On the Making of Man 21–22.
  8. Ilaria Ramelli, Paul and the Law in Patristic Thought (Oxford University Press, 2020).
  9. E. P. Sanders, Paul and Palestinian Judaism (Fortress Press, 1977); James D. G. Dunn, “The New Perspective on Paul,” BJRL 65 (1983).
  10. N. T. Wright, Paul and the Faithfulness of God (Fortress Press, 2013), 465–480.
  11. J. Louis Martyn, Theological Issues in the Letters of Paul (T&T Clark, 1997), hoofdstuk over Romeinen 7.

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Augustinus, Bijbelse Theologie, Paulus, polemiek. Bookmark de permalink.

2 reacties op Leerde Paulus de erfzonde? Een herlezing van Romeinen 5 en 7 voorbij Augustinus en de Reformatie

  1. Jan Luiten schreef:

    Interessante lijstjes!
    Maar is het probleem niet wat ruimer in de zin dat goed en kwaad in de mens en in de wereld aanwezig is en dat de mens daar een verklaring voor zoekt?
    Zo’n verklaring kan je vinden in de Bijbel. Wat heeft die ons hier over te zeggen? Mij lijkt het dan zinvol om in eerste instantie te kijken naar de Tenach. Immers, jouw discussie beloopt de meningen van Paulus en theologen na hem en deze beroepen zich ten aanzien van het thema ook op de Tenach in hun theologie.
    In de Tenach zijn wat mij betreft een paar belangrijke passages die serieuze overdenking behoeven: Gen. 3 natuurlijk, maar bijvoorbeeld ook Gen. 6:5, Ps. 143:2 en het falen van het verbond van het volk Israel met God. En dan ben ik benieuwd wat hier over te zeggen valt zonder het in de tijd ‘achterwaarts’ vallende licht van Christus.

    • Robbert Veen schreef:

      Je stelt eigenlijk een bredere vraag dan ik probeerde te beantwoorden in deze post: hoe mensen goed en kwaad in zichzelf en in de wereld begrijpen, en hoe de Bijbel daarover spreekt. Dat is een belangrijk thema, maar in mijn blog ging het om iets specifieks: hoe Paulus zelf dit probleem formuleert, en vooral wat hij níet doet — namelijk het concept van “erfzonde” in de latere, Augustinische zin introduceren.

      Je verwijzing naar de Tenach is waardevol, maar precies daar wordt het interessant. Want wanneer Paulus naar Genesis of de Psalmen verwijst, doet hij dat niet om een leer van erfzonde te construeren. Hij leest deze teksten binnen een Joods kader waarin zonde relationeel is, verantwoordelijkheid collectief én individueel is, en de nadruk ligt op verbondstrouw, niet op een geërfde schuldtoestand.

      Genesis 3, Genesis 6:5 of Psalm 143:2 zijn inderdaad teksten die spreken over menselijke gebrokenheid, maar ze doen dat zonder de latere gedachte dat de mens vanaf geboorte juridisch schuldig staat of moreel verdorven is door Adam. Dat is precies waarom ik in mijn blog betoogde dat Paulus niet in termen van erfzonde denkt zoals de latere traditie dat is gaan doen.

      Je laatste vraag — wat erover te zeggen valt zonder het “achterwaartse licht van Christus” — raakt een cruciaal punt. Want Paulus leest de Tenach juist vooruit, vanuit zijn overtuiging dat de Messias gekomen is. Dat betekent dat hij de Tenach niet gebruikt om een universele antropologische diagnose te geven, maar om te laten zien hoe God Israël en de volken in Christus tot hun bestemming brengt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *