Jan Luiten schreef:
Het verzet van de Palestijnen/Arabieren tegen de aanwezigheid van de staat Israel zou moeten worden gepareerd door duidelijk aan te tonen dat de staat Israel in 1948 legitiem is opgericht. Daar ligt het echte meningsverschil. Die hele VN en vele westerse landen hebben inmiddels boter op hun hoofd, door dit niet te benadrukken en de (inmiddels) Palestijnen er op te wijzen dat zij zelf alles of niets wilden. Is de staat Israel dan niet (meer) legitiem?
Het is inderdaad zo dat de oprichting van de staat Israël in 1948 voortkwam uit een besluit van de Verenigde Naties (Resolutie 181, het verdelingsplan van 1947), en dat Israël vervolgens door een meerderheid van staten internationaal erkend werd. Vanuit een strikt volkenrechtelijk perspectief is de legitimiteit van de staat Israël dus niet in twijfel te trekken. Het conflict ligt eerder in de erkenning en acceptatie van die legitimiteit door de Arabische wereld, die het verdelingsplan verwierp en koos voor een vernietigingsoorlog. – in 1948, 1956, 1967 etc etc.
Helaas is de legitimiteit van de staat Israël niet alleen een juridische kwestie, maar ook een symbolische en theologische. Voor veel Arabische en islamitische stemmen is de aanwezigheid van Israël in tegenspraak met hun eigen heilsgeschiedenis: het idee dat een joods volk, na eeuwen diaspora, terugkeert en een staat vestigt, raakt in conflict met diepe religieuze voorstellingen. Als de islam de definitieve openbaring van God is, dan is de moslim-gemeenschap toch ook superieur aan alle andere. Als de Uma, de moslim-gemeenschap dus superieur is, dan is het toch niet te verkroppen dat ze ene na de andere oorlog tegen die inferieure joden verliest? Hier zie je hoe juridische legitimiteit en religieuze perceptie volledig van elkaar gescheiden raken. En dat zal dan ook de reden zijn dat elk aanbod voor een twee-statenoplossing steeds van de hand is gewezen – het blijkt dus ook niet te gaan om het verkrijgen van “een” Palestijnse staat, maar alleen om de vernietiging van de joodse staat.
Dat westerse landen nu terughoudend zijn om de oorspronkelijke legitimiteit van 1948 te benadrukken, heeft te maken met de verschuiving van het internationale gesprek: van de oprichting van Israël naar de vraag hoe Israël en de Palestijnen vandaag tot een rechtvaardige co-existentie kunnen komen. In die zin is de vraag “is Israël nog legitiem?” nu ineens niet zozeer een juridische, maar een politieke en morele vraag geworden. En dat toont een diep verval in de politieke kracht en de morele diepgang van het westen. Alsof politici gegijzeld zijn door de groeiende moslim-minderheid in hun land en uiteraard de economische belangen door de afhankelijkheid aan olieproducerende landen.
En tussen haakjes: wat te denken van de volstrekt onnozele “erkenning” van de Palestijnse staat die geen grondgebied, geen hoofdstad, geen regering en geen nationale definitie heeft? Onder nationale definitie versta ik de chaos van enerzijds de aanduiding ‘vluchteling’ voor de derde generatie afstammelingen van bewoners van het mandaatgebied Palestina, en het feit dat de meeste van hen een Jordaans of Egyptisch paspoort hebben. Iemand die uit Syrië naar Nederland vlucht en hier het Nederlands staatsburgerschap verwerft is geen vluchteling meer en heeft geen “recht op terugkeer’. Hun kinderen en kleinkinderen die hier geboren zijn, hebben dan al helemaal geen recht meer op die aanduiding. Alleen de pro-Palestijnse UNWRA hanteert deze onzinnige definitie – en keert miljoenen uit aan compensatie – en houdt daardoor mensen vast in die status omdat dat dat een politiek wapen tegen Israël is.