Kerkgeschiedenis zonder Paulus – een andere relatie met het Jodendom

Zonder Paulus zou het christendom veel langer, misschien zelfs permanent, een Joodse beweging zijn gebleven. De vroege gemeenschap in Jeruzalem, geleid door Jakobus, Petrus en de andere apostelen, leefde volledig binnen de kaders van de Joodse wet. Zij bezochten de tempel, hielden de sabbat, volgden de spijswetten en zagen Jezus niet als iemand die de Thora afschafte, maar als iemand die haar tot haar diepste bedoeling bracht. In deze wereld was Jezus de Messias van Israël, niet de kosmische Christus van de heidenen. Zijn volgelingen waren een hervormingsbeweging binnen het jodendom, vergelijkbaar met de farizeeën, essenen of zeloten, maar met een eigen messiaanse overtuiging en een sterke nadruk op gerechtigheid, nederigheid en barmhartigheid.

Paulus doorbrak deze structuur door de deur naar de heidenen wijd open te zetten en door te beweren dat de Thora geen voorwaarde meer was voor deelname aan Gods volk. Zonder hem zou die deur veel smaller zijn gebleven. Heidenen hadden zich waarschijnlijk kunnen aansluiten, maar dan als proselieten of als “Godvrezenden” die de Joodse levenswijze omarmden. De beweging zou niet zijn losgekomen van de Joodse identiteit, en zeker niet zijn uitgegroeid tot een religie die zichzelf tegenover het Jodendom positioneerde.

De theologie zou zich dan hebben ontwikkeld rond de Bergrede, de gelijkenissen, de ethiek van Jakobus en de profetische traditie van Israël. De nadruk zou hebben gelegen op gehoorzaamheid, gerechtigheid, gemeenschap en morele transformatie. De vraag “Wie is Jezus?” zou minder metafysisch zijn geweest. Hij zou zijn gezien als Messias, leraar, profeet, rechter — maar niet als pre‑existent goddelijk wezen. De christologie zou hoog zijn geweest in eerbied, maar laag in ontologie. De kerk zou geen concilies hebben gehouden om de verhouding tussen Vader en Zoon te definiëren, omdat die vraag simpelweg niet op dezelfde manier was ontstaan. De conflicten van Nicea, Chalcedon en Constantinopel zouden nooit hebben plaatsgevonden. De kerk zou geen trinitaire dogmatiek hebben ontwikkeld, geen leer van de erfzonde, geen verlossingsleer gebaseerd op plaatsvervangend offer. Het kruis zou zijn gezien als het martelaarschap van een rechtvaardige, niet als een kosmische transactie.

De liturgie zou Joodser zijn gebleven. De sabbat zou een centrale rol hebben gespeeld. De feesten van Israël zouden de kalender hebben bepaald. De eucharistie zou waarschijnlijk zijn ingebed gebleven in een Joodse maaltijdstructuur, niet losgemaakt tot een sacrament dat de plaats van de tempelcultus innam. De kerk zou geen breuk hebben gekend met de synagoge, maar eerder een voortdurende dialoog, soms gespannen, soms vruchtbaar, maar niet de vijandige scheiding die in de tweede eeuw ontstond.

De relatie met het jodendom zou daardoor fundamenteel anders zijn geweest. In plaats van een geschiedenis van verwijdering, polemiek en uiteindelijk antisemitisme, zou er een geschiedenis zijn ontstaan van gedeelde identiteit, wederzijdse beïnvloeding en misschien zelfs een vorm van interne pluraliteit binnen het jodendom zelf. Het christendom zou een Joodse stroming zijn gebleven, zoals het chassidisme of het reformjodendom later werden: een beweging met eigen accenten, maar niet een religie die zichzelf definieert door afstand te nemen van Israël.

De politieke geschiedenis van Europa zou daardoor radicaal anders zijn geweest. Een niet‑paulinisch christendom zou waarschijnlijk nooit de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk zijn geworden. Het zou te Joods, te klein, te weinig universeel zijn geweest om de rol te spelen die het uiteindelijk speelde. De kerk zou geen imperiale structuur hebben ontwikkeld, geen pausdom, geen kruistochten, geen inquisitie. De scheiding tussen kerk en synagoge zou nooit zijn uitgemond in vervolging, getto’s en verdrijvingen. De geschiedenis van het Europese antisemitisme zou er heel anders hebben uitgezien — misschien minder intens, misschien minder theologisch gelegitimeerd, misschien zelfs minder existentieel.

Tegelijk zou het christendom zelf kleiner, lokaler en minder filosofisch zijn gebleven. Het zou niet de intellectuele synthese hebben gevormd met het Griekse denken die de westerse cultuur zo diepgaand heeft beïnvloed. Het zou geen Augustinus hebben gehad, geen Thomas van Aquino, geen Reformatie, geen moderne theologie. Het zou een religie zijn geweest van praktische gerechtigheid, van gemeenschap, van nederige navolging — minder metafysisch, minder systematisch, maar misschien ook minder gewelddadig en minder imperialistisch.

In zo’n wereld zou de relatie tussen christenen en joden niet die van twee rivaliserende religies zijn geweest, maar die van twee stemmen binnen één traditie. De scheiding zou eerder lijken op de verschillen tussen farizeeën en sadduceeën, of tussen chassidische en liberale Joden: reëel, soms scherp, maar niet vijandig en zeker niet geworteld in ontmenselijkende theologie. Het christendom zou zichzelf niet hebben gedefinieerd als het “ware Israël” dat het oude Israël vervangt, maar als een beweging binnen Israël die een bepaalde interpretatie van de Messias volgt.

Het is voor mij niet moeilijk te zeggen dat deze alternatieve geschiedenis beter zou zijn geweest. Het is duidelijk dat Paulus’ theologie — met haar radicale universaliteit, haar breuk met de Thora, haar hoge christologie en haar nadruk op geloof boven werken — de geschiedenis van de kerk in een richting heeft geduwd die anders ondenkbaar was. Zonder hem zou het christendom waarschijnlijk een Joodse hervormingsbeweging zijn gebleven, diep geworteld in de traditie waaruit het voortkwam, en de geschiedenis van het Westen zou er onherkenbaar anders hebben uitgezien.

De Holocaust zou niet gebeurd zijn.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Discussie, Dogmatiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *