Het herstel van Israël, Deuteronomium 24 en twee manieren van lezen
De profeten gebruiken het huwelijk als een krachtige metafoor voor de relatie tussen God en Israël. Hosea spreekt over een ontrouwe vrouw, Jeremia over een scheidbrief die God aan het noordelijke rijk zou hebben gegeven. Wie deze beelden serieus neemt, stuit vroeg of laat op een lastige vraag: als Israël als een verstoten vrouw wordt voorgesteld, mag God haar dan volgens de Tora wel terugnemen? Deuteronomium 24 lijkt immers glashelder: een man die zijn vrouw verstoten heeft, en zij is vervolgens met een ander getrouwd, mag haar niet opnieuw huwen. Het zou een gruwel zijn die het land verontreinigt.
Toch beloven de profeten dat God Israël zal herstellen. Hosea spreekt over een nieuw begin, Jeremia over een terugkeer uit ballingschap, Ezechiël over een vernieuwd hart en een hersteld volk. De vraag hoe dat te rijmen valt met Deuteronomium heeft in de joodse en christelijke traditie tot twee heel verschillende antwoorden geleid, die elk op hun eigen manier theologisch rijk zijn.
In de rabbijnse traditie vormt Deuteronomium 24 geen enkel probleem voor Gods relatie met Israël. De reden daarvoor is eenvoudig en diep geworteld: de huwelijkswetgeving is menselijke halacha, geen goddelijke halacha. De metafoor van huwelijk en scheiding wordt in de midrasj niet gelezen als een juridische werkelijkheid, maar als poëzie.
Midrasj Rabba op Hosea en Jeremia benadrukt dat de scheidbrief in Jeremia 3:8 beeldspraak is. God scheidt niet werkelijk van Israël; Hij gebruikt menselijke taal om de ernst van Israëls ontrouw te benoemen.
Rasjie noemt het expliciet een gelijkenis, geen juridische handeling.
Radak gaat nog verder door te stellen dat God niet kan scheiden zoals een mens dat doet, omdat de relatie tussen God en Israël essentieel en onverbrekelijk is. De ballingschap is geen echtscheiding, maar een tijdelijke verwijdering binnen een blijvend verbond.
Rambam maakt in de Mishneh Torah duidelijk dat halacha de menselijke sfeer regelt en dat God daar niet onder staat. In de Gids der Verdoolden waarschuwt hij bovendien tegen het letterlijk nemen van antropomorfe metaforen. Huwelijkstaal is pedagogisch, niet juridisch.
Ramban sluit daarbij aan door te benadrukken dat het verbond met Israël eeuwig is en niet kan worden opgezegd. Deuteronomium 24 is daarom eenvoudigweg niet van toepassing op God. Herstel van Israël is in deze lezing vanzelfsprekend en onvermijdelijk, niet omdat de wet wordt omzeild, maar omdat de wet hier niet van toepassing is.
In de christelijke traditie ontstaat een heel andere beweging. Hier wordt de huwelijkswetgeving wél serieus genomen als theologisch kader, en wordt gezocht naar een manier waarop God Israël kan “hertrouwen” zonder de Tora te schenden. Paulus speelt hierin een sleutelrol. In Romeinen 7 gebruikt hij de huwelijkswetgeving als metafoor: een vrouw is aan haar man gebonden zolang hij leeft, maar als de man sterft, is zij vrij om opnieuw te trouwen.
Paulus past dit vervolgens toe op de relatie tussen Israël, de Wet en Christus. De dood van Christus beëindigt de oude juridische situatie, waardoor ruimte ontstaat voor een nieuw verbond, een nieuw “huwelijk”. Hoewel Paulus Deuteronomium 24 niet expliciet noemt, is de logica dezelfde: de dood maakt een nieuwe verbintenis mogelijk zonder de wet te overtreden.
Origenes is de eerste kerkvader die deze paulinische gedachte expliciet maakt. In zijn commentaar op Romeinen legt hij uit dat Israël door haar ontrouw gescheiden is, dat de Wet een hertrouw verhindert, maar dat de dood van Christus de oude band beëindigt, zodat een nieuw huwelijk mogelijk wordt.
Augustinus werkt dit verder uit in zijn geschriften over huwelijk en wet. Hij ziet Israël als de eerste vrouw, de Wet als de bindende huwelijksband, Christus’ dood als het moment waarop die band sterft en de opstanding als het begin van een nieuw huwelijk met de kerk.
Chrysostomos benadrukt in zijn homilieën op Romeinen dat Paulus bewust een juridisch voorbeeld gebruikt: de dood verandert de juridische status en opent de weg naar een nieuwe verbintenis.
De twee tradities vertrekken dus vanuit verschillende hermeneutische intuïties. De rabbijnse traditie leest de metafoor van huwelijk als poëtisch en ziet Deuteronomium 24 niet als relevant voor Gods handelen. Het verbond is eeuwig en onverbrekelijk, en herstel van Israël is vanzelfsprekend. De christelijke traditie leest de metafoor juist juridisch en ziet in Deuteronomium 24 een theologisch probleem dat via de dood en opstanding van Christus wordt opgelost. Beide tradities zoeken naar een manier om te zeggen dat God Israël niet loslaat. Beide spreken over herstel, vernieuwing en trouw voorbij menselijke categorieën.
Volgens mij halen Origenes en Augustinus twee dingen door elkaar. Als christen ben je niet meer onder het regime van de wet, maar onder het regime van de genade. Dat is iets anders dan dat de Joden die niet in Christus geloven opeens niet meer in het verbond zitten. Ze zitten er nog steeds in, zoals ook blijkt uit Rom. 11. Er is dan dus geen sprake van scheiden en eventueel hertrouwen.
Paulus stelt dat christenen niet langer onder de Wet staan omdat zij door hun verbondenheid met Christus gestorven zijn voor de Wet, en dood maakt elke juridische claim ongeldig — waardoor een nieuwe, geestelijke relatie met God mogelijk wordt. Hij kan daarvoor als vergelijking naar de huwelijkswetten verwijzen. Een weduwe is vrij om te (her-)trouwen.