Jonathan Tobin: een waarschuwing en een oproep vanwege antisemitisch geweld

Jonathan S. Tobin, van het Jewish News Syndicate, beschrijft in een recente bijdrage een sterke toename van antisemitisch geweld in de Verenigde Staten sinds de Hamas-aanvallen van 7 oktober 2023. Volgens Tobin is dit geweld niet verrassend, omdat een klimaat van retorische ophitsing tegen Joden en Israël al jaren groeit. Politici, academici, mediafiguren en activisten op zowel de linker- als rechterflank dragen bij aan deze normalisering van Jodenhaat. Hij noemt concrete voorbeelden van aanvallen op Joodse instellingen en individuen, waaronder de aanval op Temple Israel in Michigan en de moord op een 82‑jarige Holocaustoverlevende in Boulder. De auteur stelt dat “het lang voorbij elke twijfel is dat zij geïnspireerd worden door degenen die zich bezighouden met publiek retorisch Joden‑pesten”.

Jonathan S. Tobin van het Jewish News Syndicate

Daarnaast bekritiseert Tobin ook de media en politici die antisemitische retoriek legitimeren of bagatelliseren, en waarschuwt hij dat zowel extreemlinks als extreemrechts complottheorieën verspreidt die Joden tot doelwit maken. Hij roept op tot een brede maatschappelijke reactie: het isoleren van haatzaaiers, het doorbreken van taboes rond het benoemen van antisemitisme binnen moslimgemeenschappen, en het actief tegengaan van normalisering van Jodenhaat. Ook pleit de auteur voor assertieve zelfverdediging binnen de Joodse gemeenschap, inclusief het gebruik van het Tweede Amendement, omdat “de leugen die zij mogelijk maken geen neutrale poging is om internetkliks te krijgen, maar een pad naar bloedvergieten”.

De recente golf van antisemitisch geweld in de Verenigde Staten vormt dus geen op zichzelf staand verschijnsel, maar is een culminatie van jarenlange normalisering van retoriek die Joden tot vijandbeeld maakt. Jonathan Tobin laat zien hoe deze ontwikkeling niet uit de lucht komt vallen. Wanneer publieke figuren, universiteiten, media en politieke bewegingen steeds opnieuw ruimte bieden aan demoniserende taal, ontstaat een klimaat waarin geweld niet langer ondenkbaar is, maar bijna voorspelbaar.  Tobin merkt terecht op dat “het lang voorbij elke twijfel is dat zij geïnspireerd worden door degenen die zich bezighouden met publiek retorisch Joden‑pesten” . In die ene zin wordt de kern geraakt: woorden scheppen werelden, en soms ook doelwitten.

Wat opvalt in Tobins tekst is de breedte van het spectrum waaruit antisemitische retoriek voortkomt. Aan de ene kant zijn er activisten en politici die, onder het mom van solidariteit met Palestina, slogans normaliseren die feitelijk oproepen tot de vernietiging van Israël en daarmee tot geweld tegen Joden wereldwijd. Aan de andere kant zijn er rechtse complotdenkers die oude mythes over Joodse macht en manipulatie nieuw leven inblazen. Tobin betoogt dat deze uitersten elkaar raken in hun behoefte aan een zondebok. Dat maakt antisemitisme zo hardnekkig: het past zich moeiteloos aan aan de ideologische kleur van degene die het verspreidt.

De voorbeelden die hij noemt – van de aanval op Temple Israel in Michigan tot de moord op een 82‑jarige Holocaustoverlevende in Boulder – maken duidelijk dat het niet gaat om een abstracte dreiging, maar om concreet, dodelijk geweld. Tobin  benadrukt dat deze incidenten niet losstaan van de retoriek die eraan voorafgaat. Wanneer universiteitscampussen leuzen tolereren als “globalize the intifada”, wanneer media verslag doen op een manier die impliciet begrip toont voor aanvallen op Joodse instellingen, wanneer politici spreken over Joodse invloed alsof het een gevaar vormt, dan ontstaat een moreel vacuüm waarin daders zich gelegitimeerd voelen.

Tobin is ook kritisch tegenover de neiging om antisemitisme binnen bepaalde gemeenschappen niet te benoemen uit angst voor beschuldigingen van islamofobie. Die terughoudendheid, zo stelt hij, maakt het onmogelijk om de bron van een deel van het geweld eerlijk onder ogen te zien. Tegelijkertijd wordt ook de rechterflank aangesproken: wie antisemitische complotten verspreidt of normaliseert, draagt bij aan hetzelfde klimaat van gevaar. De auteur waarschuwt dat “de leugen die zij mogelijk maken geen kosteloze poging is om internetkliks te krijgen, maar een pad naar bloedvergieten”. Het is een oproep om verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van woorden.

Het meest indringende deel van de tekst is misschien wel de oproep aan de Joodse gemeenschap zelf. Tobin stelt dat traditionele strategieën – vertrouwen op bondgenoten, hopen op maatschappelijke redelijkheid, het versterken van beveiliging – niet langer voldoende zijn. In plaats daarvan pleit hij voor assertiviteit, zichtbaarheid en zelfs het actief bevorderen van zelfverdediging. Dat is een ongemakkelijke boodschap, maar wel een die voortkomt uit de realiteit dat Joden in de Verenigde Staten steeds vaker doelwit worden van geweld dat niet langer incidenteel is, maar structureel.

Tobins column is zowel een waarschuwing als een oproep.  Een waarschuwing dat antisemitisme niet vanzelf verdwijnt wanneer het wordt genegeerd, en een oproep om de normalisering ervan actief tegen te gaan. Het vraagt van de samenleving om haat niet langer te tolereren onder het mom van vrije meningsuiting, en van de Joodse gemeenschap om zichzelf niet langer te zien als een minderheid die afhankelijk is van de goodwill van anderen. In een tijd waarin woorden steeds vaker overgaan in daden, is het noodzakelijk om beide serieus te nemen.

 

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *