Parallellen tussen het Mennonitisme en het Jodendom: een zuiver moreel leven als fundament van gemeenschap
Er zijn in de geschiedenis van het westerse christendom weinig bewegingen die zo opvallend lijken op een niet-christelijke traditie als het mennonitisme op het jodendom. Wie de vroege mennonitische gemeenschappen bestudeert hun afzondering van de staat, hun nadruk op interne solidariteit, hun morele strenge levenswijze en hun economische betrouwbaarheid ontwaart een patroon dat eeuwen eerder al zichtbaar was in de joodse diaspora. Dit is geen toeval, en evenmin een bewuste nabootsing. Het is, zoals de theoloog John Howard Yoder zou zeggen, het onvermijdelijke resultaat van een gemeenschap die ernst maakt met een ethiek van gehoorzaamheid aan God boven gehoorzaamheid aan de staat.
Dit essay verkent de diepgaande parallellen tussen de mennonitische en de joodse traditie, met bijzondere aandacht voor het begrip van een zuiver moreel leven als gemeenschappelijke kern. Daarbij nemen we de invloedrijke theologie van John Howard Yoder als leidraad, wiens werk The Jewish-Christian Schism Revisited een van de meest doordachte pogingen vormt om deze verbinding theologisch te doordenken.
Zowel joden als mennonieten deelden door de eeuwen heen een fundamentele overtuiging: zij behoorden niet volledig tot de samenleving waarin zij leefden. Voor joden was dit de conditie van de galut, de ballingschap, een bestaan buiten het eigen land, temidden van volken wier wetten en gebruiken vreemd waren. Voor mennonieten was het een theologische keuze: zij zagen zichzelf, in de woorden van de apostel Petrus, als vreemdelingen en bijwoners op aarde (1 Petrus 2:11). De wereld was niet hun thuis; hun werkelijke burgerschap lag in het Koninkrijk van God.
Dit gedeelde gevoel van anderszijn had praktische gevolgen. Beide gemeenschappen weigerden in de heersende machtstructuren op te gaan. Joden konden in veel Europese landen geen publieke ambten bekleden; mennonieten weigerden ze uit principiele gronden. Militaire dienst was voor beiden onacceptabel voor joden vanwege hun rechtspositie, voor mennonieten vanwege hun pacifistische overtuiging. Beide groepen ontwikkelden interne rechtssystemen, eigen scholen, eigen zorgstructuren voor armen en weduwen. Zij hadden, kortom, een staat binnen de staat gecreerd.
Niemand heeft deze parallellen zo systematisch doordacht als de Amerikaanse mennonitische theoloog John Howard Yoder. In zijn bundel The Jewish-Christian Schism Revisited (postuum gepubliceerd in 2003) betoogde Yoder dat het vroege christendom en met name de radicale reformatorische stromingen zoals het anabaptisme veel meer verwant was aan het rabbijnse jodendom dan de kerk ooit had willen erkennen.
Yoder stelde dat de scheiding tussen jodendom en christendom in de eerste eeuwen niet zozeer een theologische noodzaak was, maar een politieke keuze: de kerk koos voor macht, alliantie met de staat (de Constantijnse wending), en daarmee voor een fundamenteel andere verhouding tot geweld en wereld dan Jezus had voorgeleefd. Het rabbijnse jodendom, aldus Yoder, had wellicht onbewust iets van de oorspronkelijke ethiek van Jezus bewaard: de bereidheid om te leven als minderheidsgemeenschap, trouw aan de eigen wetten, zonder claims op staatsgeweld.
The Jews have kept alive across the centuries a vision of peoplehood without territorial sovereignty, of community defined by covenant rather than by coercion. The Anabaptists rediscovered this vision, not by copying the Jews, but by reading the same Scriptures more carefully. John Howard Yoder
Deze redenering is provocatief maar vruchtbaar. Yoder wijst erop dat Menno Simons en zijn tijdgenoten niet bewust de joodse gemeenschapsstructuur imiteerden; maar dat zij, door serieus te nemen wat het Nieuwe Testament zegt over geweldloosheid, gemeenschap en gehoorzaamheid aan God, onvermijdelijk uitkwamen bij vergelijkbare structuren. Het was convergente ethiek, voortkomend uit een gemeenschappelijke bron: de Hebreeuwse Bijbel en de profetische traditie.
Centraal in zowel de joodse als de mennonitische traditie staat het begrip van een zuiver moreel leven, niet als individueel ideaal, maar als gemeenschappelijke praktijk. In het jodendom wordt dit uitgedrukt door het begrip musar: een leven van morele zelfdiscipline, eerlijkheid in handel, zorg voor de zwakken, en respect voor de ander. De Thora biedt niet slechts geloofswaarheden, maar een complete levensweg (halakha, letterlijk: de weg om te gaan).
Bij de mennonieten vinden we een structureel vergelijkbare overtuiging. Menno Simons benadrukte keer op keer dat het christendom zich niet beperkt tot innerlijk geloof, maar zichtbaar moet worden in de dagelijkse omgang: in eerlijkheid, eenvoud, geweldloosheid en gemeenschapszorg. De Bergrede met haar geboden tot zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde voor de vijand was voor Simons geen onbereikbaar ideaal maar een concrete levensrichtlijn.
In beide tradities fungeert dit morele leven ook als sociale cement. Degene die liegt, bedriegt of een gemeenschapsgenoot te schande maakt, schaadt niet alleen zichzelf maar de reputatie van de hele gemeenschap. Dit verklaart waarom zowel joodse kooplieden als mennonitische handelaren eeuwenlang bekendstonden als uitzonderlijk betrouwbare zakenpartners: hun morele integriteit was niet slechts een persoonlijke deugd, maar een collectieve verantwoordelijkheid.
Een van de meest treffende structurele overeenkomsten tussen beide tradities is het gebruik van gemeenschappelijke uitsluiting als disciplinair middel. In het jodendom kennen we de cherem de ban waarmee een persoon werd afgesneden van de gemeenschap vanwege ernstige morele of religieuze overtredingen. Het bekendste voorbeeld is de excommunicatie van Baruch Spinoza in 1656 door de Amsterdamse joodse gemeenschap.
Bij de mennonieten heet dit instrument eveneens de ban (Meidung). Wie een gemeenschapsgenoot bedroog, overspel pleegde, of de geweldloze beginselen schond, werd gemeden: niemand mocht met hem eten, zakendoen, of omgaan. Dit was in een wereld zonder sociale zekerheid een vernietigende straf en tegelijk een krachtig instrument om de morele integriteit van de gemeenschap te bewaken.
John Howard Yoder merkt op dat dit gebruik van gemeenschapsdiscipline niet primair punitief was, maar herstellend van aard. Het doel was niet vergelding, maar de terugkeer van de afgedwaalde en de bescherming van de gemeenschap als getuige van een andere manier van leven. Hier toont zich opnieuw de diepere verbinding: voor zowel joden als mennonieten was de gemeenschap zelf een theologische categorie, niet slechts een sociaal gegeven.
Een derde parallel betreft de rol van kennis en onderwijs. In het jodendom is Torah-studie een religieuze plicht voor iedere man. Het leren van teksten, het debatteren over interpretaties, het doorgeven van kennis aan de volgende generatie dit alles behoort tot de kern van de joodse religieuze identiteit. Het gevolg was een buitengewoon hoge graad van geletterdheid in een wereld waar de grote meerderheid der bevolking analfabeet was.
De vroege anabaptisten deelden dit uitgangspunt. Menno Simons en zijn tijdgenoten hielden staande dat iedere gelovige de Bijbel zelf moest kunnen lezen en begrijpen niet slechts de priesters of geleerden. Dit leidde tot een vergelijkbare nadruk op onderwijs, geletterdheid en zelfstandig denken. Mennonitische gemeenschappen stichtten vroeg eigen scholen, zorgden voor de opleiding van hun kinderen, en brachten als bijproduct van religieuze ernst een klasse van bekwame boekhouders, artsen, ingenieurs en ondernemers voort.
Yoder ziet hierin een bewijs van zijn bredere these: wie leeft als een verantwoordelijke gemeenschap, zonder de krukken van staatssteun en geweld, is genoodzaakt om zichzelf te vormen. Kennis, discipline en morele integriteit zijn dan geen luxe maar een overlevingsnoodzaak en tegelijk een getuigenis aan de wereld van een andere orde.
De vraag blijft of de overeenkomsten tussen mennonieten en joden het gevolg zijn van bewuste beïnvloeding, dan wel van onafhankelijke ontwikkeling onder vergelijkbare omstandigheden. Het antwoord is waarschijnlijk: beide. De vroege anabaptisten lazen het Oude Testament intensief en kenden de joodse gemeenschappen in de Nederlanden en Duitsland. Maar zij putten ook onafhankelijk uit dezelfde bronnen: de profeten, de Psalmen, de ethiek van Jezus die zelf diep geworteld was in de joodse traditie.
Yoder pleit in dit verband voor wat hij noemt de langdurige dialoog, een voortgaande theologische ontmoeting tussen jodendom en de radicale tak van het christendom, die meer met elkaar gemeen hebben dan met de Constantijnse kerken die de westerse geschiedenis domineerden. Beide tradities getuigen van de mogelijkheid om een volk te zijn zonder macht, een gemeenschap te vormen zonder staat, en een moreel leven te leiden zonder de steun van het zwaard.
Wat de joodse en de mennonitische traditie uiteindelijk het diepst verbindt, is de overtuiging dat het bestaan van de gemeenschap zelf een boodschap is aan de wereld. Niet door middel van bekering met geweld, niet door politieke macht, maar door de zichtbare kwaliteit van het leven in gemeenschap: de eerlijkheid in handel, de zorg voor de kwetsbare, de weigering tot geweld, de toewijding aan het leren.
In een tijd waarin religie vaak vereenzelvigd wordt met macht, nationalisme of culturele identiteit, herinneren zowel het jodendom als het mennonitisme ons eraan dat het mogelijk is om een volk te zijn op een andere manier als vreemdelingen en pelgrims, die juist in hun anderszijn een bijdrage leveren aan de wereld waarin zij leven. John Howard Yoder noemde dit de politiek van Jezus: een radicale, geweldloze, op gemeenschap gerichte levenswijze die niet afhankelijk is van staatsmacht, maar die juist daardoor haar kracht ontleent.
Het is een erfenis die beide tradities delen en die, in een verdeelde wereld, meer dan ooit de moeite waard is om te koesteren en verder te denken.
Bibliografische notitie
John Howard Yoder, The Jewish-Christian Schism Revisited, red. Michael G. Cartwright en Peter Ochs (Grand Rapids: Eerdmans, 2003).
Voorts: Yoder, The Politics of Jesus (Grand Rapids: Eerdmans, 1972);
Menno Simons, Complete Works, red. J.C. Wenger (Scottdale: Herald Press, 1956);
Cornelius J. Dyck (red.), An Introduction to Mennonite History (Scottdale: Herald Press, 1993).