Het volgende is de verkorte versie en Nederlandse vertaling van hoofdstuk 1 van mijn dissertatie “The Law of Christ” (Maastricht, 2000), separaat gepubliceerd als hoofdstuk 1 in “Fulfillment of the Law” (2005).
De vraag naar de verhouding tussen Jezus en de Joodse wet is al vroeg in de geschiedenis van de Kerk verbonden geraakt met de vraag naar de “echte” Jezus. De praktijk van de Kerk, zowel in de oudheid als in het heden, lijkt te wijzen op een Jezusbeeld dat dichter bij Marcus staat dan bij Matteüs. Christelijke gemeenschappen houden zich niet aan de wetten van rituele reinheid, noch aan de spijswetten, zelfs niet aan de Noachidische bepalingen over bloed en het verstikte die volgens Handelingen 15 door Jakobus, Petrus en Paulus gezamenlijk werden bevestigd. Wanneer men bovendien Paulus’ theologie als normatief beschouwt en in continuïteit met Jezus’ eigen prediking, lijkt het vanzelfsprekend dat Jezus de wet heeft afgeschaft, aangezien Paulus dat volgens gevestigde exegese zeker deed. Zelfs Petrus ontvangt volgens Handelingen 10 een visioen waarin de scheidslijnen van rein en onrein worden opgeheven. Kerkelijke praktijk en nieuwtestamentische teksten lijken zo samen te wijzen op een Jezus die de Torah buiten werking stelt.
Toch is het mogelijk dat Matteüs een stem vertegenwoordigt binnen een vroegchristelijke gemeenschap waarin de blijvende geldigheid van de wet vanzelfsprekend was. Voor joods-christelijke groepen moet de voortzetting van de Torah een gegeven zijn geweest. De verschillen tussen Marcus en Matteüs zouden dan niet zozeer wijzen op twee concurrerende portretten van Jezus, maar op twee verschillende vroegchristelijke contexten, vaak etnisch geduid als joods en heidens christendom. In dat geval zouden zowel Marcus als Matteüs theologische accenten hebben aangebracht die de historische Jezus niet eenvoudig laat reconstrueren. De “echte” Jezus ligt niet achter de teksten, maar in de canon zelf, die ons dwingt te werken met een pluriform geheel van stemmen.
Wanneer we de canon als gegeven accepteren, ontstaat een andere benadering. De canon is geen neutrale lijst, maar een historische leesregel. Dat Matteüs vooraan staat, betekent dat zijn evangelie werd gezien als de grondtoon van het christelijk getuigenis. Marcus kan Matteüs niet corrigeren, Paulus kan de evangelietraditie niet tegenspreken zonder zijn gezag te verliezen. Tegelijk is het Nieuwe Testament een verzameling teksten waarin conflicten zichtbaar blijven: Jakobus en Paulus botsen over rechtvaardiging, Petrus en Paulus over de status van heidenen, Matteüs en Johannes presenteren verschillende Jezusbeelden. De vraag is dan niet hoe we deze verschillen kunnen wegpoetsen, maar hoe we ze kunnen verstaan.
De traditie heeft echter vaak gekozen voor harmonisatie. Verschillen tussen de evangeliën werden verklaard als variaties in tijd of perspectief, niet als echte theologische spanning. De tegenstelling tussen Paulus en Jakobus werd gereduceerd tot accentverschillen. Wanneer Johannes een andere chronologie hanteert, zou dat een bewuste theologische keuze zijn geweest. In moderne exegese wordt eerder aangenomen dat de verschillen voortkomen uit verschillende tradities en contexten waarin de evangelisten werkten. Waar tegenstellingen niet kunnen worden gladgestreken, krijgt theologische intentie voorrang boven historische reconstructie.
Sinds de Reformatie is daar een tweede harmonisatiedruk bij gekomen: die tussen Jezus en Paulus. Matteüs werd vaak gelezen als een voorlopige fase in de heilsgeschiedenis, waarin Jezus nog tot Israël sprak, terwijl Paulus de universele, wetvrije boodschap bracht. Matteüs’ nadruk op het doen van de wet werd dan geestelijk geïnterpreteerd: Jezus zou de wet zo radicaal hebben uitgelegd dat niemand eraan kon voldoen, zodat de mens gedreven werd tot de genade. Deze lezing neutraliseerde Matteüs’ eigen intentie en maakte zijn affirmatie van de Torah tot een pedagogisch middel dat uiteindelijk door Paulus werd opgeheven.
Het meest problematische voorbeeld hiervan is Matteüs 5:17, waar Jezus zegt dat Hij niet gekomen is om de wet of de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen. Deze uitspraak werd vaak gelezen vanuit de opstanding: de vervulling zou verwijzen naar Christus’ dood en verrijzenis, waardoor de wet haar doel had bereikt en dus achterhaald was. De radicale bevestiging van de Torah werd zo omgebogen tot een christologische verwijzing die de wet feitelijk buiten werking stelde. De vraag is echter of deze lezing niet eerder een product is van de tweede‑eeuwse theologie dan van Jezus’ eigen woorden.
De vroege Kerk lijkt al vroeg een interpretatiestrategie te hebben ontwikkeld die het mogelijk maakte de affirmatie van de Torah te omzeilen. “Vervullen” werd gelezen als “opheffen door voltooiing”. Paulus’ theologie werd het kader waarin Jezus’ woorden werden geïnterpreteerd. De geschiedenis van de Kerk werd vervolgens verteld als een beweging van Israël naar de Kerk, waarin Jezus’ poging om een vernieuwd Israël te vormen mislukte, waarna de apostelen zich tot de heidenen richtten. Dit meta‑narratief maakte het mogelijk om Matteüs’ radicale bevestiging van de wet te relativeren en te plaatsen in een voorstadium van de openbaring.
Toch staat Matteüs als eerste evangelie in de canon, en dat is theologisch beslissend. Zijn positie verhindert elke poging om een wetvrije theologie te funderen op Paulus alleen. De canon dwingt ons Matteüs serieus te nemen. De Bergrede, inclusief de affirmatie van de Torah, vormt een canonieke grens waar elke christelijke ethiek rekening mee moet houden. Wie Matteüs 5:17 relativeert, relativeert de canon zelf.
De moderne theologie heeft echter vaak een anti-joodse leeswijze gehanteerd. Rudolf Bultmann ( R. Bultmann (1953), p. 10.) bijvoorbeeld beschouwde Jezus’ prediking als een protest tegen Joodse “legaliteit” (Gesetzlichkeit), waarin de wil van God zou zijn gereduceerd tot een systeem van voorschriften. Volgens hem leidde dit tot casuïstiek, formalisme en een pervertering van morele motivatie. Jezus zou deze wettische structuur hebben doorbroken door een radicale ethiek van innerlijke gehoorzaamheid te verkondigen, los van cultus en ritueel. De antithesen van de Bergrede zouden dan een tegenstelling vormen tussen Jezus’ morele radicaliteit en de halachische traditie van de Farizeeën.
Deze visie is echter onhoudbaar geworden sinds E.P. Sanders’ Paul and Palestinian Judaism (1977), waarin overtuigend wordt aangetoond dat het jodendom van de Tweede Tempel geen wettisch systeem was, maar een religie van verbond, genade en morele intentie. Thema’s als verkiezing, de richting van het hart, de secundaire rol van vergelding en de nadruk op morele gezindheid zijn diep verankerd in de Joodse traditie. Bultmanns tegenstelling tussen Jezus en het jodendom berust op een karikatuur. Wanneer we het jodendom realistischer begrijpen, verandert ook ons beeld van Jezus’ verhouding tot de Torah. De continuïteit tussen Jezus en zijn Farizeese tijdgenoten wordt dan zichtbaar. Waar Jezus spreekt over beloning, doet Hij dat in dezelfde theologische registers als zijn Joodse omgeving, waarin beloning niet de motivatie vormt, maar de bevestiging van Gods trouw.
Bultmanns interpretatie van Jezus’ “soevereine houding” tegenover de wet is daarom problematisch. Hij verklaart uitspraken die de Torah bevestigen tot latere redactionele toevoegingen, terwijl uitspraken die de wet lijken te relativeren als authentiek worden beschouwd. Matteüs 5:17 wordt zo afgewezen als Gemeindebildung, omdat het niet past in Bultmanns reconstructie van Jezus. Maar dit is een cirkelredenering: de uitspraak wordt verworpen omdat zij niet past in een vooraf aangenomen beeld van Jezus, en dat beeld wordt vervolgens bevestigd door de uitsluiting van de uitspraak.
Een realistischer benadering erkent dat Jezus als Jood sprak binnen de kaders van de Torah en dat zijn affirmatie van de wet niet uitzonderlijk is, maar representatief voor het jodendom van zijn tijd. De spanning tussen Matteüs 5:17 en latere christelijke theologie is juist een aanwijzing voor de authenticiteit van de uitspraak. Wat in strijd is met de latere Kerk, is waarschijnlijker afkomstig van Jezus zelf. De canonieke plaats van Matteüs dwingt ons daarom om de affirmatie van de Torah niet te spiritualiseren of te reduceren, maar te verstaan als een wezenlijk onderdeel van Jezus’ boodschap.
De vraag wat het betekent dat Jezus de wet niet afschaft, maar vervult, kan pas worden beantwoord wanneer we de Joodse context serieus nemen. Vervullen betekent niet opheffen, maar bevestigen, verdiepen en tot zijn doel brengen. Jezus staat niet boven de Torah, maar binnen haar horizon. Zijn autoriteit is niet die van een afschaffer, maar die van een leraar die de bedoeling van de wet zichtbaar maakt. De tegenstelling tussen Jezus en de wet is een constructie van latere theologie, niet van de canon zelf.
R. Bultmann, Theologie des Neuen Testamentes, 1953.