Ellul’s lezing van 2 Koningen 6–7 verdiept zijn portret van Joram tot een bijna dramatische studie van hoe een koning langzaam uit de geschiedenis van God wegzakt. De tekst zelf is een zorgvuldig gecomponeerde opeenvolging van crisis, stilte, profetisch woord en onverwachte redding. Ellul leest deze hoofdstukken niet als losse verhalen, maar als een theologisch drama waarin Joram telkens opnieuw wordt uitgenodigd om te handelen in geloof — en telkens opnieuw weigert.
In 2 Koningen 6 begint de spanning met het beleg van Samaria. De stad is omsingeld, de hongersnood is totaal, en de verteller laat de verschrikking langzaam escaleren tot het ondenkbare: vrouwen die hun eigen kinderen opeten. Dit is het moment waarop de koning zichtbaar wordt, niet als redder maar als getuige van zijn eigen machteloosheid. Wanneer de vrouw hem om hulp roept, antwoordt hij: “Als de HEER u niet helpt, hoe zou ik u dan kunnen helpen?” Ellul noemt dit een theologisch correcte uitspraak, maar tegelijk een fatale. Want de koning van Israël is niet geroepen om zich achter God te verschuilen, maar om namens God te handelen. De tekst toont een man die de juiste woorden kent, maar niet de moed heeft om ze te belichamen. Zijn koningschap wordt hier uitgehold: hij blijft regeren, maar zonder de geestelijke autoriteit die zijn ambt veronderstelt.
De scène waarin Joram zijn kleren scheurt en de rouwzak toont, is in Elluls ogen een cruciaal moment. De verteller laat zien dat de koning innerlijk getroffen is, dat hij boete doet, dat hij de ernst van de situatie begrijpt. Maar deze boete blijft verborgen, ineffectief, zonder richting. De koning die zijn hart opent, sluit zijn handen. Ellul benadrukt dat voor een koning boete niet genoeg is: hij moet wijsheid tonen, het vermogen om in een crisis een beslissing te nemen die in lijn is met Gods wil. Joram voelt wel, maar handelt niet. Hij is een vrome toeschouwer van zijn eigen ondergang.
Wanneer Joram vervolgens uitroept: “Dit kwaad komt van de HEER! Waarom zou ik nog langer op de HEER wachten?” en een moordenaar naar Elisa stuurt, verschuift de toon van de tekst. De koning die eerst te voorzichtig was om te handelen, wordt nu te impulsief om te luisteren. Ellul ziet hierin een theologische breuk: Joram richt zijn woede niet werkelijk op Elisa, maar op God zelf. Hij kan de spanning tussen de God van de traditie en de God die vandaag spreekt niet verdragen. De profeet belichaamt het levende woord, het woord dat risico vraagt, en precies dat woord wil Joram het zwijgen opleggen. De koning die geen geloof durft te wagen, durft wel geweld te gebruiken.
In 2 Koningen 7 verschuift het perspectief naar de profeet. Elisa kondigt een ommekeer aan: binnen een dag zal er overvloed zijn. De hofbeambte lacht hem uit, en Joram zwijgt. Ellul merkt op dat dit zwijgen veelzeggend is: de koning die eerder te snel sprak, spreekt nu niet wanneer het woord van God klinkt. Hij laat het oordeel over aan zijn officieren, alsof het profetische woord een zaak van anderen is. De koning staat aan de rand van zijn eigen verhaal.
De redding komt via de meest marginale figuren: vier melaatsen die ontdekken dat het Aramese leger is gevlucht. Wanneer zij dit melden, reageert Joram met wantrouwen. Zijn voorzichtigheid is militair gezien begrijpelijk, maar theologisch gezien funest. Ellul noemt dit het moment waarop de “zorgen van de wereld” het woord verstikken. De koning die geroepen is om het wonder te herkennen, ziet slechts een valstrik. Zijn prudentie, normaal een deugd, wordt hier een vorm van ongeloof. Hij laat anderen de situatie verkennen, maar hijzelf blijft op afstand, gevangen in zijn eigen berekeningen.
De afloop is bitter. De profetie van Elisa wordt vervuld, de stad wordt gered, de hongersnood eindigt — maar Joram speelt geen rol in deze redding. Hij is aanwezig, maar niet betrokken. Hij regeert, maar zijn regering draagt geen gewicht meer in Gods geschiedenis. Ellul noemt dit een “tijdelijke verwerping”: Joram wordt niet vernietigd, maar genegeerd. Zijn daden worden irrelevant voor het werk van God. Uiteindelijk sterft hij door de hand van Jehu, op de akker van Naboth, als een echo van de schuld van zijn huis. Zijn dood is niet slechts een politieke gebeurtenis, maar een theologisch signaal: het woord van God wordt niet bespot zonder gevolgen.
In deze lezing worden 2 Koningen 6 en 7 tot een spiegel van Jorams innerlijke breuk. De tekst toont een koning die alles heeft om te geloven — de traditie, de profeet, de tekenen — maar die telkens kiest voor voorzichtigheid, analyse, institutionele vroomheid. Ellul ziet in Joram niet de slechtheid van Achab, maar iets subtielers en misschien gevaarlijkers: de vrome inertie van een mens die God respecteert zonder Hem te vertrouwen. Joram is de koning die het woord hoort maar niet volgt, die boete doet maar niet handelt, die prudent is maar niet wijs. Zijn tragedie is dat hij niet valt door rebellie, maar door terughoudendheid. Hij is de koning die niets verkeerd doet, behalve het ene dat telt: het risico van geloof nemen.