“Israël heeft Palestijns land gestolen.” “Israël heeft de Westbank van de Palestijnen afgepakt.” Hoe vaker zulke zinnen worden uitgesproken, hoe minder mensen nog de moeite nemen om zich af te vragen wat ze eigenlijk betekenen. Dat is precies de kracht van propaganda: niet dat ze overtuigt door argumenten, maar dat ze nadenken overbodig maakt. En precies daarom worden deze slogans zo gretig gebruikt — niet om de werkelijkheid te beschrijven, maar om haar te verhullen.
Want zodra je de slogan ontleedt, valt ze uit elkaar.
De claim dat Israël “de Westbank van de Palestijnen heeft gestolen” veronderstelt dat de Palestijnen als collectief juridisch eigenaar waren van de Westbank. Maar dat is historisch en juridisch onjuist. Individuele Arabieren bezaten land — huizen, akkers, boomgaarden, winkels — uiteraard. Dat staat buiten discussie. Ottomaanse en Britse registers bevestigen dat overvloedig. Maar individueel eigendom is iets totaal anders dan collectieve territoriale soevereiniteit. Een familie kan eigenaar zijn van een olijfgaard; dat betekent niet dat een volk automatisch eigenaar is van een volledig territorium.
En precies daar begint de intellectuele oneerlijkheid van de slogan.
Voor 1967 bestond er geen Palestijnse staat op de Westbank. Geen Palestijnse regering. Geen Palestijnse jurisdictie. Geen internationaal erkende Palestijnse soevereiniteit. De Westbank maakte achtereenvolgens deel uit van het Ottomaanse Rijk, het Britse Mandaatgebied Palestina en daarna van Jordanië, dat het gebied in 1950 annexeerde — een annexatie die door het grootste deel van de wereld niet eens werd erkend. Men kan die historische realiteit betreuren, maar men kan haar niet wegfantaseren.
Het woord “gestolen” suggereert een helder juridisch scenario: een rechtmatige eigenaar wordt beroofd van zijn eigendom. Maar van wie precies heeft Israël de Westbank dan “gestolen”? Van Jordanië? Van Groot-Brittannië? Van het Ottomaanse Rijk? Zeker niet van een Palestijnse staat, want die bestond eenvoudigweg niet.
Dat is het ongemakkelijke feit dat slogans proberen te verbergen.
Maar er is nog een dieper probleem met deze hele manier van spreken: ze gaat uit van de veronderstelling dat het conflict in essentie over land gaat. Alsof, wanneer de juiste grenslijn maar wordt getrokken, de haat verdwijnt en de vrede uitbreekt. Alsof het conflict een soort juridisch geschil is tussen twee partijen die allebei hetzelfde willen: rust, veiligheid, een eigen staat. Maar dat is een illusie. Het conflict draait niet primair om land. Het draait om iets veel fundamentelers, veel donkerders: de weigering van grote delen van de Palestijnse beweging — en zeker van haar gewelddadige kern — om het bestaan van een Joodse staat in welke vorm dan ook te accepteren.
Wie de charters van Hamas leest, wie de retoriek van Palestijnse leiders volgt, wie de schoolboeken en media-uitingen bekijkt, ziet dat het doel niet een staat naast Israël is, maar een staat in plaats van Israël. De vernietiging van Israël is geen marginaal idee van een enkeling, maar een centraal uitgangspunt. De haat is niet gericht op grenzen, maar op Joden. Niet op nederzettingen, maar op het bestaan van een Joodse aanwezigheid in het land überhaupt. Dat is geen interpretatie, dat is expliciet geformuleerd — keer op keer, decennium na decennium.
En precies daarom is de slogan “gestolen land” zo effectief: hij maskeert de werkelijke drijfveer achter het conflict. Hij doet alsof het probleem een juridisch geschil is, terwijl het in werkelijkheid een ideologisch conflict is waarin antisemitische haat en vernietigingswens centraal staan. Hij doet alsof het conflict kan worden opgelost door land terug te geven, terwijl de geschiedenis laat zien dat elke Israëlische concessie — van de terugtrekking uit Gaza tot de Oslo-akkoorden — werd beantwoord met meer geweld, niet minder.
De ironie is bovendien dat men claimt dat dit precies hetzelfde gold voor de Joden. Ook zij hadden vóór 1948 geen collectief juridisch eigendomsrecht op Palestina. Hun claim was historisch, religieus, cultureel en nationaal — maar uiteraard niet gebaseerd op een eigendomsakte van het land. Israël is niet ontstaan omdat iemand een notariële titel kon overleggen waar “eigendom van het Joodse volk” op stond. Israël ontstond uit een combinatie van historische verbondenheid, internationaal diplomatiek proces, oorlog en zelfbeschikkingsrecht. Maar de Palestijnse claim is een constructie die voortkomt uit de wens om Israel te vernietigen.
Men beweert: Palestijnse nationale aanspraken functioneren op exact dezelfde manier. Beide volkeren hebben historische banden. Beide volkeren hebben nationale aspiraties. Beide volkeren hebben legitieme claims. Maar geen van beide bezat exclusief juridisch eigendom van het volledige gebied. Is dat niet mooi symmetrisch? Maar: “beide volkeren”?
“Het narratief van ’twee volkeren, twee staten’ verbergt een ingewikkelder realiteit. De groep die nu ‘Palestijnen’ wordt genoemd, bestaat primair uit Arabieren die in het Britse mandaatgebied Palestina woonden en hun nakomelingen. Ze worden niet zozeer gedefinieerd door een oeroud Palestijns volk – want een Palestijnse nationale identiteit bestaat pas sinds de 20e eeuw – maar door hun juridische status als vluchtelingen, een status die voortdurend wordt verlengd door UNRWA. Dit creëert een juridisch artefact: UNRWA definieert iemand als “Palestijnse vluchteling” op basis van voorgeslachten die in 1948 vluchtten, en geeft deze status door aan kinderen, kleinkinderen en verdere generaties.
Tegelijkertijd hebben veel van deze mensen feitelijke andere nationaliteiten: honderdduizenden Palestijnen bezitten Jordaanse paspoorten (Palestijnen in Jordanië zijn grotendeels Jordaanse staatsburgers), velen hebben Egyptische documenten, sommigen zelfs Israëlische. De term ‘Palestijn’ is dus niet primair een etnische of nationale aanduiding, maar een juridische-administratieve status die UNRWA in stand houdt. Dit maakt de claim van ’twee volkeren met gelijke historische rechten’ problematisch. Je kunt niet van twee volkeren spreken als de ene groep eigenlijk uit Arabieren bestaat die hun vluchtelingenstatus erven zoals erfzonde, terwijl anderen intussen gewoon Jordaanse of andere burgers zijn.”
Wie doet alsof dat wel zo was, bedrijft geen geschiedschrijving maar politieke mythologie.
En die mythologie heeft een doel: de delegitimatie van Israël. Niet omdat Israël zogenaamd “land heeft gestolen”, maar omdat Israël een Joodse staat is — en dat is voor veel van zijn vijanden onaanvaardbaar. De slogan is niet de oorzaak van de haat, maar de verpakking ervan.
Dat betekent niet dat Israël boven kritiek verheven is. Verre van. Men kan het nederzettingen-beleid scherp bekritiseren. Men kan wijzen op ongelijke machtsverhoudingen, militaire controle, beperkingen van Palestijnse bewegingsvrijheid en politieke keuzes die een duurzame vrede ondermijnen. Dat zijn legitieme debatten. Maar kritiek verliest haar geloofwaardigheid wanneer ze verandert in simplistische morele slogans die historische en juridische complexiteit uitwissen — en die bovendien de diepere, ideologische drijfveren van het conflict verhullen.
De Westbank is geen gestolen fiets met een duidelijke eigenaar en een duidelijke dief. Ze is een betwist gebied voortgekomen uit het uiteenvallen van rijken, oorlogen, nationalisme, koloniale grenzen en concurrerende claims van twee volkeren die allebei menen historische rechten te hebben. Maar het conflict gaat niet over die claims. Het gaat over de vraag of de Joodse staat überhaupt mag bestaan.
Wie werkelijk vrede wil, moet ophouden de taal van absolute morele eenvoud te gebruiken. Want zodra één kant wordt voorgesteld als de exclusieve eigenaar en de andere als louter dief, wordt compromis onmogelijk. Dan blijft alleen demonisering over — precies wat de extremisten willen.
De werkelijkheid is veel ongemakkelijker dan de slogans: twee volkeren met legitieme nationale aspiraties, historische banden met hetzelfde land? Dat is de propagandistische leugen. Een volk en één beweging die niet strijdt voor een staat, maar voor de vernietiging van de Joodse staat – en daarvoor een grote groep Arabieren tot een machtsmiddel heeft omgesmeed. Zolang deze asymmetrische realiteit niet wordt erkend, blijft elke discussie over “gestolen land” een rookgordijn — en blijft vrede een illusie.