Is vergelding zowel een politieke noodzaak als theologisch gefundeerd?

Jan Luiten schreef:

Toch blijkt uit sommige vergeldingspsalmen dat ook kinderen bewust gedood kunnen worden, zoals in psalm 137 vers 9: ‘gelukkig hij, die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verpletteren’. De vraag is: wie mag dat doen? David doodde vijanden, maar altijd als de eer van God op het spel stond, waarbij hij zich bewust was eigen zonden en hij leefde dicht bij God. Bij de verovering(!) van het land Kanaan werden volkeren verdreven of gedood. Ook dat was een opdracht van God en het betrof volkeren waarbij ‘de maat van de ongerechtigheid’ vol was. Assyriers en Babyloniers worden gestraft voor het overvallen en bezetten van Israel resp. Juda. Dat is dan dubbel en niet te rijmen: God heeft deze volken gebruikt om Israël te straffen tegelijkertijd worden deze volken daarvoor gestraft.

Het lijkt toch dat Israël alleen veilig kan wonen als het zich aan het verbond met God houdt. Maar God laat zijn volk niet vallen, er volgde na de ballingschap een terugkeer. Is de huidige terugkeer ook te zien als een teken dat de diaspora en het leed van de Joden van de afgelopen eeuwen lang genoeg geduurd heeft? Het zou me niet verbazen. Maar in hoeverre heeft de huidige staat Israel het recht, Bijbels gezien, om te vergelden wat hun is aangedaan? Staat de eer van God hier nu op het spel? Misschien wel, het is mooi geweest. Misschien niet, het gaat een deel van de Israeli niet om de eer van God. Ik weet het niet.

Psalm 137:9 is inderdaad een van de meest schokkende verzen in de Bijbel. Het is belangrijk om te zien dat dit geen goddelijke opdracht is, maar een uitdrukking van menselijke woede en wanhoop in ballingschap. De psalm is een klaaglied, geen wetstekst: hij verwoordt de pijn van een volk dat Jeruzalem verwoest zag en kinderen verloren heeft. In de canon wordt dit opgenomen als getuigenis van menselijke emoties tegenover God, niet als normatief gebod.

Het bredere patroon dat je noemt – dat God volken gebruikt om Israël te straffen en hen vervolgens zelf straft – raakt aan een fundamentele spanning in de Schrift. Hegel zou dit dialectisch duiden: oordeel en genade zijn geen tegengestelden, maar momenten in een groter proces waarin God zijn heilsplan ontvouwt. Barth spreekt hier van de “dubbele beweging” van verkiezing en verwerping: God kiest Israël, maar juist die keuze brengt oordeel met zich mee, zowel voor Israël zelf als voor de volken eromheen.

De vraag of de huidige terugkeer van het Joodse volk naar het land gezien kan worden als een eschatologisch teken, is theologisch omstreden. Sommigen lezen dit als vervulling van profetie, anderen benadrukken dat de staat Israël een politieke realiteit is die niet automatisch gelijkgesteld kan worden met Gods verbond. Trigano wijst erop dat verkiezing altijd relationeel is: Israël kan slechts veilig wonen in trouw aan het verbond, maar Gods trouw blijft ook wanneer Israël tekortschiet.

Wat betreft de legitimiteit van vergelding vandaag: het Nieuwe Testament verlegt de focus van vergelding naar verzoening. Jezus’ zwaard uit de mond (Openbaring) is geen fysiek wapen, maar het woord dat oordeelt en scheidt. Vergelding in politieke zin kan dus niet eenvoudig worden gelegitimeerd met bijbelse teksten. De eer van God staat op het spel waar gerechtigheid en trouw aan het verbond in het geding zijn, maar dat betekent niet dat elke politieke daad van Israël automatisch theologisch gelegitimeerd is.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Theologie, Theologische kritiek. Bookmark de permalink.