Velen geloven vandaag dat Israël is voortgekomen uit Europees kolonialisme — dat Zionisme slechts een nieuwe vorm van imperialistisch geweld was, een project van Europese macht dat zich na 1945 verplaatste naar het Midden-Oosten. Deze overtuiging, gevoed door Palestijnse propaganda en door de morele schuld van Europa na zijn eigen koloniale verleden, heeft zich diep genesteld in academische en publieke debatten. Maar wat als dit beeld niet berust op geschiedenis, maar op ideologische projectie? Wat als de Joodse terugkeer naar het land Israël juist het tegendeel was van kolonialisme — een beweging van een volk zonder macht, zonder metropool, dat niet kwam om te overheersen maar om te overleven? Ik wil in deze bijdrage op die vraag ingaan en laten zien waarom het koloniale narratief niet alleen onjuist is, maar ook een immorele verdraaiing van de werkelijkheid.
Te stellen dat Israël een “Europees koloniaal project” zou zijn, is geen historische analyse maar een ideologische omkering. Het neemt de taal van imperiale schuld en plakt die op het ene volk dat niet kwam om te heersen, maar om te overleven. De kolonialisme-theorie is niet geboren uit feiten en archieven, maar uit politieke retoriek. Haar vroegste verschijning was op het eerste Palestijnse congres in Jeruzalem in 1919, toen Arabische elites – vaak zelf begunstigden van Ottomaanse en Britse patronage – Joodse immigratie probeerden voor te stellen als een buitenlandse invasie. Dezen poging was niet beschrijvend maar strategisch: ze stelde de Arabische leiding in staat het Zionisme af te schilderen als een verlengstuk van het Europese imperialisme, terwijl de Joden die arriveerden juist stateloze vluchtelingen waren, op de vlucht voor datzelfde Europa.
Decennia later kreeg het narratief nieuw leven, niet in het Midden-Oosten maar in Europese universiteiten. In de jaren tachtig herformuleerden de zogenoemde “Nieuwe Historici” het Israëlische verhaal door de lens van postkoloniale theorie, waarbij Palestijns lijden centraal kwam te staan en Joodse historische continuïteit werd geminimaliseerd. Hun werk viel samen met een golf van Europese zelfverwijt over het koloniale verleden en met Arabische financiering die deze ideeën naar Amerikaanse en Israëlische academies bracht. Wat begon als een politieke slogan werd een academische orthodoxie – een morele kortsluiting die historische complexiteit verving door ideologische symmetrie: als Europa koloniën had, moest Israël er ook één zijn.
Maar de analogie stort in zodra men haar toetst aan de feiten. Kolonialisme veronderstelt een metropool – een moederland dat kolonisten uitzendt om grondstoffen te winnen en inheemse volkeren te overheersen. Zionisme had geen metropool. Het was geen arm van Groot-Brittannië of Frankrijk, maar een beweging van een verspreid volk dat nationale wederopstanding zocht. De Joden die naar Palestina kwamen, arriveerden niet als veroveraars maar als immigranten, vaak berooid, vaak getraumatiseerd, bouwend aan boerderijen en scholen op legaal aangekocht land. Zij onderwierpen geen inheemse bevolking in naam van een verre kroon; zij zochten samenleven en werden met geweld afgewezen. De vergelijking met Europese verovering wist het onderscheid uit tussen macht en overleving.
Het koloniale paradigma kan ook moreel en historisch het zionisme niet verklaren. Europees kolonialisme werd gedreven door hebzucht en heerschappij; zionisme door noodzaak en vernieuwing. De kolonisten van Afrika en Azië kwamen om vreemde volkeren te regeren; de Joden kwamen om hun eigen geschiedenis te hervinden. De bijbelse en historische band tussen het Joodse volk en het land Israël is geen mythe uit 1948, maar een onafgebroken draad van herinnering, gebed en aanwezigheid. Wie dat “koloniaal” noemt, ontkent de mogelijkheid van historische terugkeer zelf – alsof elke vorm van herstel per definitie usurpatie is.
Het tijdstip van Israëls geboorte – 1948 – wordt vaak gebruikt om de koloniale analogie te versterken. Terwijl Europese rijken instortten, verscheen een nieuwe Joodse staat, en voor velen in de Derde Wereld leek dat anachronistisch: een late echo van koloniale vestiging. Maar die indruk verwart toeval met oorzaak. De Joden kwamen niet om het Britse rijk te vervangen; zij kwamen als zijn onderdanen en slachtoffers. Groot-Brittannië sponsorde het zionisme niet, maar beperkte Joodse immigratie zelfs terwijl Europa brandde. De stichting van Israël was geen uitbreiding van het imperium, maar zijn ontbinding: een volk zonder macht dat soevereiniteit herwon in het vacuüm dat het imperialisme achterliet.
Het koloniale narratief berust bovendien op een morele omkering die slachtoffers tot daders maakt. Joodse vluchtelingen uit Europa werden herverpakt als “koloniale militaire bezetters”, alsof Auschwitz conquistadores had voortgebracht. Die omkering negeert eeuwen van Joods‑islamitische co‑existentie en het feit dat de Arabische afwijzing van de deling in 1947 geen verzet tegen kolonialisme was, maar een weigering tot compromis. De daaropvolgende oorlogen waren geen anti‑imperiale opstanden, maar pogingen om Joodse zelfbeschikking te verhinderen. Wie ze anders noemt, herschrijft de morele grammatica van de dekolonisatie zelf.
Wanneer men het koloniale paradigma confronteert met de historische werkelijkheid, valt het uiteen. Joodse immigranten kwamen niet gewapend om land te veroveren; zij kwamen om het te bewerken. Zij legden geen vreemde heerschappij op; zij bouwden instellingen van zelfbestuur onder Britse controle. Zij exploiteerden geen inheemse arbeid; zij creëerden een gemengde economie die ook Arabische buren werk en onderwijs bood. Het zionistische project was geen extractie maar constructie, geen overheersing maar herstel. Zijn mislukkingen en onrecht zijn reëel, maar niet koloniaal van aard. Zij behoren tot de tragische complexiteit van nationale wedergeboorte, niet tot de logica van imperiale verovering.
Dat het koloniale narratief blijft voortleven, zegt meer over zijn verdedigers dan over Israël. Het is een projectie van Europese schuld op Joodse geschiedenis – een manier voor postkoloniale denkers om hun morele categorieën te universaleren door Israël erin te dwingen. Het stelt Europa in staat zijn zonden te boeten door de Joden te veroordelen die ze overleefden. Het stelt Arabische regimes in staat hun eigen mislukkingen te verhullen onder het vaandel van anti‑imperialisme. En het stelt westerse academici in staat morele deugd te etaleren zonder de ongemakkelijke waarheid onder ogen te zien dat zionisme geen verhaal van overheersing is, maar van terugkeer.
Wie de koloniale analogie verwerpt, ontkent niet het Palestijnse lijden of de tragiek van het conflict. Hij eist slechts dat historische categorieën passen bij de feiten. Zionisme was geen Europees koloniaal project, maar een Joodse daad van zelfbeschikking. Het kwam niet voort uit imperiale ambitie, maar uit existentiële noodzaak. Het was het antwoord van een volk dat uit elk rijk was verdreven, door elke natie vervolgd, en uiteindelijk besloot een thuis te bouwen waar het vrij én verantwoordelijk kon zijn. Dat kolonialisme noemen is geschiedenis tot propaganda maken en tragedie tot aanklacht. De waarheid is eenvoudiger en pijnlijker: Israël was niet Europa’s laatste kolonie, maar Europa’s wees.