Is Israël een apartheidsstaat? Weer een andere blood libel.

Het debat over de vraag of Israël een apartheidsstaat zou zijn, is allang geen juridisch gesprek meer, geen poging tot nauwkeurige historische vergelijking, geen zoektocht naar waarheid. Het is een politiek instrument geworden, een retorisch wapen dat niet bedoeld is om te begrijpen, maar om te veroordelen.

De term “apartheid” wordt niet gebruikt om een situatie te analyseren, maar om een staat te delegitimeren.

Voor wie deze beschuldiging onterecht acht, is zij uitgegroeid tot een nieuwe vorm van morele demonisering, een hedendaagse variant van de oude “blood libel”: een beschuldiging die niet op feiten rust, maar op de behoefte om Israël te reduceren tot een moreel monster.

Wie werkelijk naar de feiten kijkt, ziet dat de vergelijking met Zuid‑Afrika niet alleen mank gaat, maar fundamenteel misleidend is. In Zuid‑Afrika was apartheid een expliciet raciaal project, ontworpen om een blanke minderheid permanent aan de macht te houden door de niet‑blanke meerderheid systematisch te beroven van politieke rechten, bewegingsvrijheid en menselijke waardigheid. Israël daarentegen is een democratie waarin Arabische burgers volledig kiesrecht hebben, in het parlement zitten, ministers leveren en zitting hebben in het Hooggerechtshof. Zij delen scholen, ziekenhuizen, stranden en werkplekken met Joodse burgers. Het Arabisch is een officiële taal, en de staat onderhoudt een volledig Arabischtalig onderwijsstelsel. Dit alles is niet het decor van apartheid, maar van een samenleving die, ondanks spanningen en ongelijkheden, structureel pluralistisch is.

Toch blijven critici de vergelijking met Zuid‑Afrika hardnekkig herhalen. Zij verschuiven de aandacht van de Israëlische samenleving naar de Westelijke Jordaanoever, waar Palestijnen onder militair recht vallen en Israëlische kolonisten onder civiel recht. Maar deze vergelijking negeert de context waarin deze juridische structuren zijn ontstaan: niet uit raciale ideologie, maar uit een langdurig nationaal conflict, gevoed door oorlogen, terreur en mislukte diplomatie. De scheidingsbarrière, de checkpoints en de beperkingen op bewegingsvrijheid zijn niet ontworpen om een bevolkingsgroep te vernederen, maar om aanslagen te voorkomen. Dat deze maatregelen hard zijn, dat zij het dagelijks leven van Palestijnen zwaar belasten, staat buiten kijf. Maar hardheid maakt een systeem nog niet tot apartheid. De Zuid‑Afrikaanse muur was gebouwd om een raciale hiërarchie te beschermen; de Israëlische muur is gebouwd nadat honderden burgers werden gedood in bomaanslagen. Wie deze twee fenomenen gelijkstelt, maakt van geschiedenis een karikatuur.

De apartheid‑aanklacht wordt bovendien vaak gepresenteerd als een objectieve juridische kwalificatie, maar in werkelijkheid is zij een politiek instrument dat selectief wordt ingezet. De wereld kent talloze situaties waarin bevolkingsgroepen onder verschillende juridische regimes leven, waarin territoriale conflicten leiden tot beperkingen op bewegingsvrijheid, waarin militaire controle wordt uitgeoefend over betwiste gebieden. Toch wordt geen enkel ander land met dezelfde intensiteit en morele verontwaardiging van apartheid beschuldigd. Dat selectieve gebruik van de term verraadt de werkelijke functie ervan: niet beschrijven, maar brandmerken.

De vergelijking met Zuid‑Afrika wordt ook ondermijnd door de interne diversiteit van de Joodse bevolking. Israël is geen blanke enclave die een gekleurde meerderheid onderdrukt, maar een samenleving waarin Joden uit Europa, Noord‑Afrika, Ethiopië, Jemen, Irak en Iran samenleven.

De Joodse bevolking is zelf multiraciaal.

Het idee dat deze diverse gemeenschap een raciale overheersingsideologie zou hebben ontwikkeld die vergelijkbaar is met die van het Zuid‑Afrikaanse apartheidsregime, is historisch en sociologisch onhoudbaar. Het is een narratief dat alleen kan bestaan wanneer men de werkelijkheid vervangt door een ideologisch schema.

De apartheid‑aanklacht wordt vaak verpakt in morele taal, maar haar effect is politiek: zij ontneemt Israël het recht om zichzelf te verdedigen. Wanneer veiligheidsmaatregelen worden herleid tot raciale motieven, wordt elke Israëlische handeling — hoe defensief ook — voorgesteld als een uiting van suprematie. De muur wordt niet gezien als een reactie op aanslagen, maar als een symbool van racisme. De wegen die bedoeld zijn om burgers te beschermen, worden afgeschilderd als instrumenten van etnische scheiding. De weigering van Palestijnse leiders om vredesvoorstellen te accepteren, wordt genegeerd of gebagatelliseerd.

De geschiedenis wordt herschreven, zodat Israël altijd de dader is en nooit de partij die reageert op geweld of afwijzing.

In deze polemische visie is de apartheid‑aanklacht niet slechts een misvatting, maar een vorm van morele chantage. Zij dwingt Israël in een positie waarin elke verdediging wordt geïnterpreteerd als schuld, elke nuance als vergoelijking, elke verwijzing naar context als afleiding. Het is een beschuldiging die niet bedoeld is om te worden weerlegd, maar om te worden herhaald. En juist daarin lijkt zij op de oude “blood libel”: een beschuldiging die niet op bewijs rust, maar op de behoefte om een collectieve vijand te creëren, een morele paria die buiten de gemeenschap van naties wordt geplaatst.

Wie de apartheid‑aanklacht onterecht vindt, ziet haar daarom niet als een analytisch instrument, maar als een ideologisch project. Een project dat niet streeft naar vrede, maar naar delegitimatie; niet naar begrip, maar naar veroordeling; niet naar een oplossing, maar naar een morele overwinning. In dat licht is de term “apartheid” geen beschrijving van de werkelijkheid, maar een poging om de werkelijkheid te herscheppen in het beeld van een politiek narratief. En wie dat narratief doorziet, kan niet anders dan het resoluut afwijzen.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *