Idoliseren van Israël? (13)

12. Israëlvisies die Israël idoliserend verheffen, schaden zowel Joden als christenen.

Citaat: “Als Israëlvisies… het idoliseren van Israël [bevorderen], is dat schadelijk voor jood en christen.”

Stelling 12 poneert dat Israëlvisies die Israël een bijzondere plaats geven, het zicht op de christocentrische en universele reikwijdte van de Schrift verduisteren en zelfs gevoelens van antisemitisme kunnen oproepen.

Vanuit het perspectief dat Gods verbond met Israël blijvend is, overtuigt deze redenering niet.

De Schrift zelf verbindt de universele reikwijdte van het evangelie juist met Gods trouw aan Israël. Paulus schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). De universaliteit van Christus’ werk wordt dus niet bedreigd door Israëls bijzondere roeping, maar juist gedragen door de weg die God met Israël is gegaan.

De gedachte dat een bijzondere rol voor Israël zou leiden tot antisemitisme of filosemitisme miskent dat de Schrift zelf een blijvende verwachting voor Israël schetst die niet in nationalistische termen is geformuleerd. Paulus benadrukt dat “God zijn volk niet heeft verstoten” (Rom. 11:1) en dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn” (Rom. 11:29). Deze uitspraken zijn geen uitdrukking van etnische voorkeur, maar van Gods eigen trouw. De bijzondere positie van Israël is geen menselijke constructie, maar een goddelijke realiteit die de Kerk nederig maakt. Daarom waarschuwt Paulus de heidenen: “Wees niet hoogmoedig, maar vrees” (Rom. 11:20). Deze waarschuwing veronderstelt dat Israëls plaats niet door de Kerk kan worden geannuleerd.

Ook Jezus zelf spreekt niet over een opheffing van Israëls betekenis. Hij zegt: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen etnische claim, maar een theologische: Gods weg naar de wereld loopt via Israël. Simeon noemt Jezus daarom zowel “een licht voor de heidenen” als “tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lk. 2:32). De universaliteit van Christus’ werk en de bijzondere roeping van Israël staan hier niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Een theologie die deze spanning opheft, loopt het risico Christus los te maken van de weg die God zelf is gegaan.

De stelling dat een bijzondere rol voor Israël gevoelens van antisemitisme zou kunnen oproepen, keert bovendien de bijbelse logica om. In de Schrift is het juist het negeren of ontkennen van Israëls bijzondere roeping dat leidt tot hoogmoed en verharding. Paulus waarschuwt dat de heidenen niet mogen denken dat zij de plaats van Israël hebben ingenomen: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18). Het is deze nederige erkenning van Israëls blijvende betekenis die antisemitisme tegengaat, niet het ontkennen ervan. De wortel is heilig omdat God haar heeft geheiligd, en wie dat erkent, kan Israël niet verachten.

Vanuit dit geheel van bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar

dat een blijvende rol voor Israël niet leidt tot een verduistering van Christus’ centrale positie, maar juist tot een dieper verstaan van Gods trouw. Christus is de vervulling van Gods beloften aan Israël, niet hun ontkenning. De universaliteit van het evangelie staat niet tegenover Israëls bijzondere roeping, maar is ermee verweven.

En dat alles betekent dat er geen sprake is van “idoliseren”. 

 

 

Dit bericht is geplaatst in polemiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *