Albanië is misschien niet het eerste land waar je aan denkt als het gaat om de geschiedenis van de Holocaust, maar juist daar gebeurde iets uitzonderlijks. Terwijl in bijna heel Europa Joden werden vervolgd en gedeporteerd, werd Albanië een toevluchtsoord. Het land begon de oorlog met ongeveer tweehonderd Joodse inwoners en eindigde met bijna tweeduizend. Geen enkele Jood werd aan de nazi’s uitgeleverd.
Hoe kon dat? Het antwoord ligt in een diepgewortelde Albanese erecode: besa. Deze norm schrijft voor dat iemand die bescherming zoekt nooit mag worden verraden, zelfs niet als dat gevaar oplevert. Tijdens de oorlog namen Albanese families Joden op alsof het familieleden waren. Ze verborgen hen in huizen, boerderijen en afgelegen dorpen, voorzagen hen van voedsel en valse papieren, en hielden hen uit handen van zowel de Italiaanse als de Duitse bezetter.
Opmerkelijk genoeg werkten zelfs delen van de lokale autoriteiten mee. In plaats van lijsten aan te leveren of deportatiebevelen uit te voeren, lieten ze Joden verdwijnen in het binnenland. Daardoor werd Albanië niet alleen een veilige haven voor zijn eigen Joodse gemeenschap, maar ook voor vluchtelingen uit buurlanden zoals Griekenland en Joegoslavië.
Het verhaal van Albanië laat zien dat morele moed niet afhankelijk is van macht of omvang. In een tijd waarin haat en vervolging Europa overspoelden, koos dit kleine land voor gastvrijheid en bescherming. Het is een herinnering dat zelfs onder bezetting, zelfs onder dreiging, een samenleving kan kiezen voor menselijkheid.