Er zijn in de Tora momenten waarop een mens iets doet dat de grenzen van de gewone menselijke moraal en zelfs van de halachische orde lijkt te overschrijden. Het zijn daden die zich niet laten vangen in algemene regels en die zich onttrekken aan iedere juridische systematisering. Toch worden zij achteraf door God bevestigd als beslissende momenten in de geschiedenis van Zijn verbond met Israël. Parashat Pinchas vormt zo’n moment.
De tekst zegt:
וַיַּרְא פִּינְחָס… וַיָּקָם מִתּוֹךְ הָעֵדָה וַיִּקַּח רֹמַח בְּיָדוֹ
(Pinchas zag het… hij stond op uit het midden van de gemeenschap en nam een speer in zijn hand.) (Numeri 25:7)
Nadat Pinchas Zimri en Kozbi heeft gedood, spreekt God:
לָכֵן אֱמֹר הִנְנִי נֹתֵן לוֹ אֶת־בְּרִיתִי שָׁלוֹם
(Daarom, zeg: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede.) (Numeri 25:12)
Juist deze goddelijke bevestiging maakt het verhaal zo intrigerend. De daad van Pinchas kan niet eenvoudig als norm worden verheven. De rabbijnen waren zich daar terdege van bewust. In de Talmoed wordt de uitzonderingsregel geformuleerd:
קַנָּאִין פּוֹגְעִין בּוֹ
(Zeloten mogen hem treffen.) (Sanhedrin 82a)
Maar dezelfde Talmoed ontneemt deze uitspraak vrijwel onmiddellijk iedere mogelijkheid om tot algemene rechtsregel te worden. Wanneer een zeloot eerst aan een rechter vraagt of hij mag handelen, krijgt hij geen toestemming. De daad kan niet worden bevolen, niet worden onderwezen en niet worden geïnstitutionaliseerd. Zij bevindt zich precies op de grens waar de halacha ophoudt normatief te spreken. Dat is niet omdat de halacha tekortschiet, maar omdat zij weigert uitzonderingen tot regels te maken. Wat Pinchas deed, kan alleen achteraf door God worden gelegitimeerd; geen mens kan zich erop beroepen.
Juist op dat grensgebied ontstaat een opmerkelijke verbinding met Abraham. In Psalm 106 wordt Pinchas beschreven met woorden die rechtstreeks herinneren aan Genesis:
וַיַּעֲמֹד פִּינְחָס וַיְפַלֵּל וַתֵּעָצַר הַמַּגֵּפָה׃ וַתֵּחָשֶׁב לוֹ לִצְדָקָה לְדֹר וָדֹר עַד־עוֹלָם
(Toen stond Pinchas op en trad tussenbeide; de plaag werd gestuit. En het werd hem tot gerechtigheid gerekend, van generatie tot generatie, voor eeuwig.) (Psalm 106:30–31)
De uitdrukking וַתֵּחָשֶׁב לוֹ לִצְדָקָה is vrijwel identiek aan wat eerder over Abraham wordt gezegd:
וְהֶאֱמִן בַּיהוָה וַיַּחְשְׁבֶהָ לּוֹ צְדָקָה
(Hij vertrouwde op de HEER, en Hij rekende hem dit tot gerechtigheid.) (Genesis 15:6)
Dat is geen toevallige overeenkomst. De psalmist gebruikt bewust dezelfde formulering en nodigt de lezer uit Abraham en Pinchas naast elkaar te lezen. De Schrift zelf schept daarmee een typologische verbinding tussen twee mensen aan wie gerechtigheid wordt toegerekend, hoewel de aard van hun gehoorzaamheid radicaal verschilt.
Bij Abraham bereikt die gehoorzaamheid haar dramatische hoogtepunt op de berg Moria. God zegt:
קַח־נָא אֶת־בִּנְךָ אֶת־יְחִידְךָ אֲשֶׁר־אָהַבְתָּ… וְהַעֲלֵהוּ שָׁם לְעֹלָה
(Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt… en offer hem daar als brandoffer.) (Genesis 22:2)
Vanuit de rest van de Tora is dit een onmogelijke opdracht. Later verbiedt dezelfde Tora immers ondubbelzinnig het offeren van kinderen:
וּמִזַּרְעֲךָ לֹא־תִתֵּן לְהַעֲבִיר לַמֹּלֶךְ
(Van uw kinderen zult u niemand aan Molech offeren.) (Leviticus 18:21)
Abraham bevindt zich daarmee op een grens waar iedere menselijke intuïtie protesteert. Hij heft het mes, maar juist op het beslissende moment klinkt de stem van de engel:
אַל־תִּשְׁלַח יָדְךָ אֶל־הַנַּעַר
(Strek uw hand niet uit naar de jongen.) (Genesis 22:12)
Pas achteraf wordt duidelijk dat God nooit de dood van Isaak verlangde, maar de gehoorzaamheid van Abraham openbaarde.
Pinchas bevindt zich op een vergelijkbare grens. Had Zimri zich een ogenblik eerder teruggetrokken, dan zou Pinchas eenvoudig een moordenaar zijn geweest. Had hij eerst toestemming gevraagd aan het Sanhedrin, dan zou hem die zijn geweigerd. Zijn daad is slechts denkbaar binnen één uniek ogenblik en kan alleen achteraf door God worden bevestigd. Daarom ontvangt hij geen militaire onderscheiding, maar een בְּרִית שָׁלוֹם, een verbond van vrede. Juist dat is opmerkelijk. De man die geweld gebruikte, ontvangt vrede. Verschillende rabbijnse uitleggers zien daarin niet alleen een beloning, maar ook een genezing. De gebroken letter ו in het woord שָׁלוֹם, zoals die in de traditionele Tora-tekst wordt geschreven, werd een beeld van een vrede die eerst moest worden hersteld. De ijveraar blijkt zelf vrede nodig te hebben.
Wanneer Abraham en Pinchas zo naast elkaar worden geplaatst, ontstaat een diepere theologische structuur. Beiden bereiken een grens waar menselijke ethiek en juridische categorieën ontoereikend worden. Abraham heft een mes; Pinchas heft een speer. Abraham wordt tegengehouden door de Engel van de HEER; Pinchas wordt vastgehouden door een verbond van vrede. Geen van beiden blijft uiteindelijk alleen staan met zijn daad. God Zelf grijpt in en spreekt het laatste oordeel uit.
Opmerkelijk genoeg krijgt deze verbinding een nieuw perspectief in het Nieuwe Testament. Paulus citeert Genesis 15:6 wanneer hij schrijft:
ἐπίστευσεν δὲ Ἀβραὰμ τῷ Θεῷ, καὶ ἐλογίσθη αὐτῷ εἰς δικαιοσύνην
(Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.) (Romeinen 4:3; vgl. Galaten 3:6)
Voor Paulus wordt Abraham het grote voorbeeld van rechtvaardiging uit geloof. Toch blijft de echo van Psalm 106 hoorbaar. De Tenach zelf gebruikt precies dezelfde taal van toegerekende gerechtigheid voor Pinchas. Daarmee wordt niet gezegd dat Paulus Pinchas op het oog had, noch dat geloof en ijver dezelfde werkelijkheid zijn. Wel laat de Schrift zien dat Gods oordeel zich niet volledig laat opsluiten in menselijke categorieën van verdienste of wetstoepassing. Abraham wordt gerechtvaardigd door zijn vertrouwen; Pinchas doordat God zijn uitzonderlijke daad achteraf bevestigt. In beide gevallen is het niet de mens die gerechtigheid definieert, maar God.
Juist daarom weigert de rabbijnse traditie Pinchas tot algemeen voorbeeld te maken. De halacha erkent de uitzonderingsregel קַנָּאִין פּוֹגְעִין בּוֹ, maar omringt haar met zóveel beperkingen dat zij in de praktijk onuitvoerbaar wordt. Middeleeuwse gezaghebbende uitleggers, onder wie Maimonides, behandelen deze regel niet als een juridisch instrument dat door rechtbanken kan worden toegepast, maar als een unieke uitzondering die zich aan normalisering onttrekt. De Tora vertelt het verhaal van Pinchas, maar de halacha voorkomt dat het een model voor navolging wordt. Dat onderscheid is wezenlijk. Niet iedere Bijbelse gebeurtenis wordt een halachische norm.
Misschien is daarom de verdere levensweg van Pinchas nog betekenisvoller dan zijn eerste optreden. Wanneer hij later opnieuw verschijnt, draagt hij geen speer meer. In het boek Jozua wordt hij gezonden om een dreigende burgeroorlog te voorkomen wanneer de stammen aan de overzijde van de Jordaan een altaar hebben opgericht. Hij onderzoekt, luistert en bemiddelt. Zijn woorden bereiken wat zijn speer nooit had kunnen bereiken: vrede zonder bloedvergieten. Later staat hij als priester voor de Ark in het boek Richteren en vraagt hij Gods leiding in een tijd van nationale crisis. De ijveraar is herder geworden. Zijn vuur is niet verdwenen, maar getransformeerd tot verantwoordelijkheid.
Zo ontstaat een opmerkelijk bijbels patroon. Abraham leert dat geloof een sprong is die alleen God kan opvangen. Pinchas leert dat ijver ook een wond is die alleen God kan genezen. De één ontvangt een ram in plaats van zijn zoon; de ander ontvangt een verbond van vrede in plaats van blijvende identificatie met geweld. Beiden worden beschreven met de taal van toegerekende gerechtigheid. Niet omdat hun daden navolgbaar zouden zijn, maar omdat Gods oordeel groter blijkt te zijn dan menselijke categorieën.
Daarmee laat de Schrift uiteindelijk zien dat gerechtigheid geen bezit van de mens is, maar een gave van God. Niet Abraham, niet Pinchas en niet de halacha spreken het laatste woord. Dat laatste woord behoort aan God alleen, die kan zeggen over een mens:
וַיַּחְשְׁבֶהָ לּוֹ צְדָקָה
(Hij rekende het hem tot gerechtigheid.)