Wanneer Hieronymus wordt geprezen om zijn toewijding aan de veritas hebraica, lijkt dat soms alsof hij eenvoudigweg een filologische voorkeur had voor de Hebreeuwse grondtekst. Maar die voorstelling doet geen recht aan de complexiteit en de spanning van zijn project. Voor Hieronymus was de Hebraica Veritas geen neutrale wetenschappelijke methode, maar een theologisch geladen overtuiging dat de waarheid van het Oude Testament alleen te vinden was in de Hebreeuwse tekst. Tegelijk was zijn waardering voor die tekst diep ambivalent: hij vond het Hebreeuws hard, gutturaal en moeilijk, en hij had weinig sympathie voor de Joden die het spraken. Zijn zoektocht naar de Hebreeuwse waarheid was nooit een erkenning van Joodse autoriteit, maar juist een poging om de Schrift uit handen van de Joden te nemen en haar christelijk te herinterpreteren.
Zijn motivatie was helder. Hij geloofde dat de vele verschillen tussen de Latijnse Bijbelversies niet voortkwamen uit de Schrift zelf, maar uit fouten van vertalers en uit corrupte Griekse kopieën. Zoals het Nieuwe Testament alleen in het Grieks werkelijk kon worden getoetst, zo kon het Oude Testament alleen in het Hebreeuws worden verstaan. Dat uitgangspunt bracht hem ertoe om de Hebreeuwse tekst systematisch te vergelijken met de Griekse versies die in omloop waren. Hij raadpleegde Aquila, Symmachus en Theodotion, zoals die in Origenes’ Hexapla waren opgenomen, en legde die naast de Hebreeuwse rollen. Aanvankelijk wilde hij nagaan of de synagoge de tekst had aangepast uit vijandschap jegens Christus, maar tot zijn eigen verrassing ontdekte hij dat de Hebreeuwse tekst vaak juist duidelijker verwees naar de christelijke interpretatie dan de Griekse vertalingen. De veritas hebraica werd zo niet alleen een filologische methode, maar een apologetisch instrument.
Maar die zoektocht ging gepaard met een fundamentele overtuiging die zijn hele project kleurt: volgens Hieronymus waren de Joden zelf blind voor de betekenis van hun eigen Schrift. Hij herhaalt voortdurend dat zij de profetieën over Christus niet herkennen, dat zij de letter lezen maar de geest missen, dat zij de woorden kennen maar niet de waarheid die erin verborgen ligt. Voor hem was de Hebreeuwse tekst wel gezaghebbend, maar de Joodse lezing ervan niet. De paradox is scherp: hij erkent de taal, maar niet de gemeenschap die haar draagt. De veritas hebraica is voor hem geen erkenning van Joodse interpretatie, maar juist een bewijs dat de Joden hun eigen boek niet begrijpen. De waarheid ligt in het Hebreeuws, maar niet bij de Joden.
Het streven naar de “Hebreeuwse waarheid” (Hebraica Veritas) veranderde Jeromes kijk op het Joodse volk niet fundamenteel; in plaats daarvan bleef zijn relatie met het jodendom paradoxaal genoeg academisch en vijandig. Hoewel hij Joodse leraren opzocht en veel moeite en geld deed om de oorspronkelijke taal onder de knie te krijgen voor zijn bijbelvertalingen, bleef hij een intense persoonlijke haat tegen hen koesteren. Hieronymus gaf openlijk toe dat als het opportuun was om een bepaald ras te verafschuwen, hij een ‘vreemde afkeer’ koesterde voor degenen die besneden waren.
Jerome’s wetenschappelijke betrokkenheid bij de Hebreeuwse tekst werd vaak gemotiveerd door een verlangen om te verifiëren of de synagoge de geschriften had gemanipuleerd of gewijzigd uit haat tegen Christus. Ondanks zijn afhankelijkheid van joodse leraren zoals Baranina, bij wie hij ’s nachts studeerde, bestempelde hij de hedendaagse synagogen expliciet als “synagogen van Satan” en beschuldigde hij het joodse volk ervan tot op de dag van vandaag “onze Heer te vervolgen”.
Theologisch gezien versterkte de “Hebreeuwse waarheid” zijn supersessionistische kader in plaats van het uit te dagen. Hij beschouwde het Joodse volk als “onwetende getuigen” die de Wet als een merkteken (vergelijkbaar met Kaïn) droegen, zodat ze die niet zouden vergeten, terwijl ze “blind” bleven voor de spirituele betekenis van hun eigen boeken. Hieronymus beweerde dat het “huidige lijden van de Joden” een goddelijk oordeel en een “straf” was, specifiek vanwege de misdaad van de kruisiging. Uiteindelijk ging zijn academische beheersing van de taal hand in hand met de overtuiging dat de status en beloften van Israël volledig waren overgedragen aan de kerk.
Het verwerven van die kennis was voor Hieronymus geen academische luxe, maar een moeizaam en soms vernederend proces. Hij wist dat hij het Hebreeuws niet kon leren door intuïtie of door het raadplegen van woordenlijsten; hij had leraren nodig. Daarom huurde hij Joodse onderwijzers in, onder wie de bekende Baranina, die hem volgens zijn eigen beschrijving “zoals Nicodemus bij nacht” bezocht, uit angst voor zijn eigen gemeenschap. Dat clandestiene karakter gaf zijn studie een bijna subversieve lading. Zijn tegenstanders maakten daar gretig gebruik van. Rufinus vervormde de naam van Baranina tot “Barabbas” en beschuldigde Hieronymus ervan dat hij zich liet onderwijzen door de “synagoge van Satan”. De insinuatie was duidelijk: wie bij Joden leert, verraadt de kerk. Voor Hieronymus was het echter precies andersom: wie weigert bij Joden te leren, verraadt de Schrift. Maar zelfs terwijl hij hun kennis nodig had, bleef hij ervan overtuigd dat zij blind waren voor de Messias die in hun eigen teksten stond aangekondigd.
Hij beschreef zijn worsteling met de taal als bitter en zwaar. De harde, gutturale klanken, de vreemde grammatica en de onbekende woordstructuren maakten het leren van het Hebreeuws tot een bijna ascetische oefening. Hij vond de taal niet mooi, niet soepel, niet elegant. Maar hij benadrukte dat deze bittere arbeid uiteindelijk zoete vruchten droeg. Die vruchten werden zichtbaar in zijn levenswerk: de Vulgata. Meer dan tien jaar werkte hij in Bethlehem aan een volledige vertaling van het Oude Testament rechtstreeks uit het Hebreeuws. Daarmee brak hij met de traditie van de kerk, die de Septuagint als geïnspireerd beschouwde. In zijn exegetische werken gaf hij de Hebreeuwse tekst steeds het laatste woord, ook wanneer dat betekende dat hij moest afwijken van de versies die in de liturgie werden gebruikt. Hij stelde glossaria samen, zoals het Liber de Nominibus Hebraicis, waarin hij de oorspronkelijke betekenis van namen en plaatsen probeerde te herstellen die in de Griekse en Latijnse traditie waren vervormd.
Deze radicale keuze bracht hem in conflict met zijn tijdgenoten. Augustinus reageerde geschokt op zijn voornemen om een nieuwe vertaling te maken op basis van de Hebreeuwse tekst. Hij vreesde dat de kerk verdeeld zou raken tussen een Latijnse wereld die Hieronymus volgde en een Griekse wereld die trouw bleef aan de Septuagint. Zijn angst was niet ongegrond. In de stad Oea leidde één enkel woord tot een volksopstand. Toen een bisschop Hieronymus’ vertaling van Jona gebruikte en het volk hoorde dat hij “klimop” had vertaald waar men “wonderboom” gewend was, brak er tumult uit. De bisschop moest zelfs Joodse geleerden raadplegen om de menigte tot bedaren te brengen. Hieronymus verdedigde zijn keuze door te wijzen op het Hebreeuwse woord qîqāyōn, dat volgens hem een specifieke struik aanduidde die de Septuagint verkeerd had weergegeven. De veritas hebraica was hier geen abstract principe, maar een concrete bron van conflict.
Wanneer men dit alles samenneemt, wordt duidelijk dat Hieronymus’ aandacht voor de Hebreeuwse waarheid tegelijk vernieuwend en beperkt was. Vernieuwend, omdat hij de moed had om de tekst terug te voeren naar zijn oorsprong, zelfs wanneer dat de gevestigde traditie onder druk zette. Beperkt, omdat zijn waardering voor de Hebreeuwse tekst nooit gepaard ging met waardering voor de Joodse interpretatie ervan. Hij vertrouwde de taal, maar onteigende de oorspronkelijke lezers. Het Oude Testament was niet de Tenach van het jodendom, maar het eerste deel van de christelijke openbaring. Hij zocht de waarheid in het Hebreeuws, maar geloofde dat de Joden blind waren voor de Messias die volgens hem in diezelfde tekst stond aangekondigd. Zijn veritas hebraica was daarom geen brug naar het jodendom, maar een instrument om de Schrift te heroveren voor de kerk. Dat maakt zijn project tegelijk briljant, polemisch en diep ambivalent.