Het schisma verdiept zich – anti-judaïsme in de kerk van de 4e eeuw

Het vierde-eeuwse keizerlijke christendom recapituleerde en ontwikkelde een belangrijke interpretatieve positie verder, namelijk dat zowel de hoge god als zijn goddelijke zoon de joden en het jodendom volledig hadden afgezworen.

In deze kerkelijke opvatting, was Jezus specifiek gekomen om te onderwijzen tegen de Joodse interpretatie van de Joodse wet. Overigens, dat had Mozes ook gedaan en zo ook alle profeten in de periode voor de incarnatie. Al deze heilige mannen, zo leerde de kerk, en ook de Zoon van God zelf, hadden de tempel en zijn bloedige offers, hadden de vleselijke besnijdenis veroordeeld, hadden de Joodse naleving van de Sabbat bekritiseerd, en de Joodse praktijken in het algemeen. Zo ook Paulus, en zo ook de andere apostelen van de eerste generatie.

Om deze overtuiging te articuleren waren er drie brede manieren van elkaar versterkende argumenten.

1. vlees en geest

Een daarvan, die uiteindelijk putte uit waarden en concepten in Plato, was de was de geringschattende vergelijking van vlees (lager en dit-wereldlijk) met geest (hoger, dus intrinsiek beter, en bovenwerelds). Vlees stond in deze retoriek zowel voor intellectuele ontoereikendheid als morele slechtheid. Christenen die “Joden” en en “Jodendom” aan deze negatieve pool toewezen, creëerden daarmee niet alleen een vijandige constructie van het Jodendom, maar creëerden tegelijkertijd een positieve constructie van zichzelf. En deze constructie kon dubbel werk doen, want het diende om het probleem uit te drukken met de andere christelijke gemeenschappen die buiten deze retorische en sociale categorie vielen. Het “ware” christendom was spiritueel, en ware christenen begrepen de Schriften geestelijk; het “ketterse” christendom en ketterse christenen, veroordeeld binnen ditzelfde waardesysteem, waren duidelijk vleselijk en letterlijk on-geestelijk. Op deze manier, door middel van deze beschimping, werden deze andere, afgewezen christenen (die, net als hun tegenstanders, zelf heidenen waren) retorisch weergegeven als “Joden.”

2. profetie en vervulling

Een tweede genre argumenten berustte op een sterk bijbels motief: het idee van profetie en vervulling. Christus, zeiden deze christenen, had duidelijk en perfect de profetieën van het Oude Testament over de messias vervuld. Als de Joden dit feit niet begrepen, was het hun eigen schuld. Zij lazen de profeten met blinde ogen en met vleselijk begrip. Maar dit alles was ook voorzien, deze Christenen wezen erop. Dezelfde profeten hadden consequent geklaagd over over de blinde ogen, de harten en de nekken van hun volk. De afwijzing door de Joden van de manier waarop waarop de heidense christenen deze joodse boeken lazen, bevestigde in het kort dat de Christenen het eigenlijk bij het rechte eind hadden. Jesaja en Jeremia hadden dat al lang geleden gezegd.

3. kleuters en volwassenen

Ten derde, zich beroepend op een zowel pedagogisch als historisch model, spraken theologen van progressieve openbaring: God’s lessen aan de mensheid, ontvouwend in de tijd, waren afgestemd op de mogelijkheden van de leerlingen. Joden in deze visie waren kleuters, elementaire leerlingen. De gevorderde klasse, zo had de geschiedenis uitgewezen, was gereserveerd voor de heidense kerk. Dit laatste argument, zich beroepend op deze onderwijs gewoonte (beginners weten minder dan volwassen studenten), kwam overeen mooi met het eerste. Basisschoolleerlingen, die een tekst begrijpen op zijn narratieve, eenvoudigste niveau, kunnen alleen de voor de hand liggende, “lichamelijke” betekenis begrijpen; gevorderde gevorderde studenten, getraind in hogere niveaus van interpretatie, zien voorbij het voor de hand liggende en in de “geest” van de tekst.

[vrij naar Augustine and the Jews, Paula Frederiksen, 2010]

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.