Romeinen 3:9-20 vormt het hart van Paulus’ betoog over zonde en rechtvaardiging. Het is een passage die eeuwenlang de toon heeft gezet voor de christelijke leer van de erfzonde en de universele schuld van de mens. Toch blijkt bij nadere lezing dat de tekst veel complexer is dan de traditionele interpretatie doet vermoeden. De spanning tussen Paulus’ Joodse achtergrond en zijn universele boodschap maakt dit gedeelte tot een hermeneutisch mijnenveld.
Romeinen 3:9–20 vormt het kernstuk van Paulus’ betoog over zonde en rechtvaardiging. Deze passage heeft eeuwenlang de christelijke leer over erfzonde en universele schuld van de mens bepaald, maar bij nadere beschouwing blijkt de tekst complexer dan traditionele interpretaties suggereren.
De spanning tussen Paulus’ Joodse achtergrond en zijn universele boodschap maakt deze passage tot een hermeneutisch uitdagend gebied. Paulus stelt:
“Wij hebben immers tevoren beschuldigd, dat zowel Joden als Grieken allen onder de zonde zijn.”
Hij citeert vervolgens psalmen en profetische uitspraken om te benadrukken dat niemand rechtvaardig is. Klassiek gezien – van Augustinus tot Calvijn – wordt dit gezien als een universele aanklacht: alle mensen zijn zondig en hebben verlossing nodig. Moderne exegeten zoals James Dunn, E.P. Sanders en Mark Nanos wijzen echter op een andere lezing. Paulus spreekt niet over een metafysische toestand, maar over een sociaal-religieuze spanning binnen het Jodendom van de eerste eeuw. De uitdrukking ‘onder de zonde’ beschrijft de situatie waarin zowel Joden als niet-Joden zich bevinden ten opzichte van Gods verbond: niemand kan aanspraak maken op exclusieve gerechtigheid.
De interpretatie wordt bemoeilijkt door Paulus’ dubbele identiteit. Enerzijds is hij Joods, gevormd door de Torah en profetische traditie; anderzijds is hij apostel van Christus met een universele boodschap van verlossing. Calvijn leest de tekst als een antropologische diagnose: de mens is fundamenteel verdorven. Nanos daarentegen ziet een intra-Joodse discussie: Paulus bekritiseert een religieus nationalisme dat Gods genade beperkt tot één groep.
Deze spanning wordt versterkt door Paulus’ gebruik van Schriftcitaten. De psalmen die hij aanhaalt, spreken over de verdorvenheid van Israëls vijanden, niet over Israël zelf. Door deze verzen toe te passen op Joden en heidenen herinterpreteert Paulus zijn traditie, wat zijn retoriek krachtig maar ook ambigu maakt. De vraag is of Paulus spreekt over zonde als universeel menselijk probleem of over het falen van religieuze exclusiviteit.
Dunn en Sanders benadrukken dat Paulus niet de mens wil veroordelen, maar ruimte wil maken voor een nieuwe gemeenschap waarin de Torah geen grens meer is. Calvijn ziet in deze tekst juist de noodzaak van genade als antwoord op de totale verdorvenheid van de mens. Beide interpretaties raken een kernwaarheid: Paulus ontmaskert de mens – als zondaar of als zelfgenoegzame gelovige. Zijn taal bedient beide niveaus tegelijk.
Romeinen 3:9–20 is een tekst die zich verzet tegen simplificatie. Lezers moeten Paulus’ retoriek, zijn Joodse wortels en universele visie in ogenschouw nemen. De spanning tussen Calvijns antropologische lezing en Nanos’ sociologische interpretatie toont dat Paulus’ aanklacht niet alleen over zonde gaat, maar ook over identiteit, gemeenschap en religieuze grenzen. Dit maakt de passage krachtig: ze dwingt ons telkens opnieuw te vragen wat ‘onder de zonde’ betekent – voor de mens en voor onze relatie met God en elkaar.
Geleerden interpreteren de boodschap van Romeinen 3:9-20 als de samenvatting en het hoogtepunt van Paulus’ aanklacht tegen de mensheid, maar verschillen van mening over wie precies wordt aangesproken en over de aard van de “werken” waarvan Paulus concludeert dat ze onvoldoende zijn voor rechtvaardiging. De traditionele protestantse visie ziet deze passage als een universele aanklacht die bewijst dat alle mensen zondaars zijn en dat de menselijke natuur zo aangetast is dat niemand aan de morele eisen van de Wet kan voldoen. Paulus gebruikt dit gedeelte om te concluderen dat niemand gerechtvaardigd kan worden door “werken van de wet,” die hier worden opgevat als goede daden of morele prestaties die gedaan worden om verdienste voor God te verkrijgen.
James D.G. Dunn, vertegenwoordiger van het Nieuwe Perspectief op Paulus, betoogt dat deze samenvatting specifiek aan Joden is gericht om hen te laten beseffen dat zij ook onder de universele aanklacht vallen. Hij stelt dat Paulus de Joodse “nationalistische veronderstelling” aanvalt – het geloof dat Joden, als het “uitverkoren volk” dat de Wet bezit, zouden ontsnappen aan het oordeel dat de heidenen treft. In deze visie verwijzen de “werken van de wet” naar verbondstekenen (zoals besnijdenis en spijswetten) die Joden gebruikten om zich te scheiden van “heidense zondaars.”
De beweging “Paulus binnen het Jodendom,” vertegenwoordigd door Mark Nanos en Dennis Haugh, suggereert dat Paulus betrokken is bij een intra-Joodse discussie. Haugh stelt dat de reeks schriftcitaten in 3:10–18 waarschijnlijk een traditionele verzameling was die door Paulus’ tegenstanders werd gebruikt om heidenen te veroordelen; Paulus keert het om om te laten zien dat Joden evenzeer schuldig zijn aan zonde. Hij benadrukt dat Paulus de Wet of het verbond voor Joden niet ongeldig maakt, maar verduidelijkt dat niet-Joden gerechtvaardigd worden door de trouw van Christus.
E.P. Sanders, vanuit het Participatieperspectief, betoogt dat Paulus’ redenering beweegt “van oplossing naar probleem.” Paulus begint met de overtuiging dat Christus de enige weg tot redding is en redeneert terug om te concluderen dat iedereen, inclusief Joden met de Wet, in een staat van veroordeling moet verkeren om die oplossing noodzakelijk te maken. In Romeinen 3:9 verklaart Paulus dat zowel Joden als Grieken “onder de zonde” zijn. Deze uitdrukking draagt verschillende nuances: Het kan worden begrepen als een gepersonifieerde macht en heerschappij. In de context van Romeinen 5–8 wordt “zonde” behandeld als een gepersonifieerde kosmische macht of vijandige heerschappij. Onder de zonde zijn betekent dat men slaaf is van een macht die de mens beheerst en de zwakheid van het “vlees” gebruikt om overtreding aan te moedigen. Het beschrijft ook een sfeer of ruimtelijk aspect van zonde. Mensen worden geboren in een toestand van menselijke ontoereikendheid en kwetsbaarheid (de “Adam”-toestand) waarin ze gevangen zitten in een netwerk van zonde en dood. Bovendien betekent het een universele veroordeling, een staat van aansprakelijkheid voor Gods oordeel. Paulus gebruikt het argument “allen hebben gezondigd” als retorisch bewijs om aan te tonen dat iedereen – ongeacht etnische status of bezit van de Wet – onder deze gemeenschappelijke “toestand” valt en Christus als Heer nodig heeft. Sommige aanhangers van het “Paulus binnen het Jodendom”-perspectief interpreteren het als een beschrijving van een aangetaste menselijke natuur die mensen vatbaar maakt om te struikelen, vooral met betrekking tot het specifieke struikelen over de boodschap van Christus.