Er waren op mijn vorige blog over Ben-Gurion nogal onbeschofte en heftige reacties. Zo werd mij verweten een ‘smerig propagandistisch stuk” te hebben geschreven, dat de ‘haat tegenover joden zou aanwakkeren’. Ik wijs die kritiek van de hand. Als we vragen om eerlijkheid tegenover de feiten van de kant van pro-Palestina-verdedigers, dan moeten we ook in staat zijn eerlijk naar de geschiedenis van Israël te kijken. Ben-Gurion had weinig op met “onze” vaak theologische argumentaties voor de stichting van de staat Israël Maar hij was er diep van overtuigd dat de historische omstandigheden na de Holocaust geen enkele ruimte overlieten voor twijfel – ondanks de mogelijke onrechtmatigheid van minstens een deel van Israëls optreden, was het verlies van die staat een vorm van zelfmoord. Er was sprake van een tragisch conflict tussen historische noodzaak en Arabische belangen. De focus lag in de vorige blog op wat er gebeurde in 1947 en 1948 – latere overwegingen hebben hier nog geen rol gespeeld. Het was mijn bedoeling inzicht te geven in de keerzijde van de stichting van Israël, de donkere kant van de geschiedenis. Die eerlijkheid zou ook gevraagd moeten worden aan de pro-Palestijnse kant. Alleen met een gemeenschappelijk inzicht in de feiten kan een grondslag worden gelegd voor wederzijds begrip en aanvaarding.
De Israëlische perceptie van David Ben-Gurions houding in de jaren 1947–1948 wordt in hoge mate gevormd door de spanning tussen zijn dagboeknotities, interne memoranda en publieke toespraken. Samen schetsen zij het beeld van een leider die zich scherp bewust was van de historische last die op zijn schouders rustte, en die tegelijkertijd een bijna koele helderheid behield in het aangezicht van een naderende oorlog. Zijn dagboeken uit deze periode tonen een man die dagelijks laveerde tussen strategische berekeningen, morele overwegingen en existentiële angsten. In een notitie uit begin 1948 schreef hij bijvoorbeeld dat “het lot van het volk in deze dagen op een mespunt balanceert”, een zin die in Israël vaak wordt aangehaald als bewijs van zijn besef van urgentie. Hij noteerde herhaaldelijk dat een Arabische aanval vrijwel zeker was zodra de Joodse staat werd uitgeroepen, en dat de Yishuv slechts kon overleven door een ongekende mate van militaire paraatheid. Deze notities worden in Israël gelezen als bewijs van zijn vooruitziende blik en zijn vermogen om de realiteit zonder illusies onder ogen te zien.
In zijn publieke uitspraken presenteerde Ben-Gurion zich als een vastberaden maar niet roekeloze staatsman. Hij accepteerde de VN-verdelingsresolutie van 1947, niet omdat hij haar ideaal vond, maar omdat hij haar beschouwde als de enige haalbare weg naar soevereiniteit. In een toespraak tot het Volkscomité verklaarde hij dat “wij niet alles krijgen wat wij willen, maar wij krijgen wat wij nodig hebben: een staat”. Tegelijkertijd verzette hij zich tegen de Amerikaanse druk om de onafhankelijkheidsverklaring uit te stellen. De timing van 14 mei 1948 wordt in Israël nog altijd gezien als een meesterlijke strategische beslissing: precies op het moment dat de Britse mandaatmacht vertrok, maar vóórdat internationale omstandigheden de kans op een staat zouden verkleinen. In de Onafhankelijkheidsverklaring benadrukte hij bovendien gelijkheid en burgerrechten voor alle inwoners, wat door veel Israëli’s wordt gelezen als een aanwijzing dat zijn visie niet uitsluitend militair of nationalistisch was, maar ook moreel en staatsrechtelijk gegrond.
Een bijzonder aspect van zijn houding, dat in Israël vaak met respect maar ook met ongemak wordt besproken, betreft zijn uitspraken over de onvermijdelijkheid van een strijd met de Arabieren. Ben-Gurion was opmerkelijk openhartig over het feit dat de Arabische bevolking — zowel in Palestina als in de omliggende landen — volgens hem gelijk had wanneer zij zeiden dat hun land hun werd afgenomen. In een interne toespraak uit 1937, die hij in 1947 opnieuw citeerde, zei hij: “Als ik een Arabier was, zou ik mij niet neerleggen bij wat hier gebeurt.” In zijn dagboeken uit 1948 herhaalde hij deze gedachte in andere bewoordingen: “Zij zien ons als indringers, en vanuit hun gezichtspunt is dat begrijpelijk.” Deze erkenning wordt in Israël vaak gezien als een teken van zijn intellectuele eerlijkheid: hij demoniseerde de tegenstander niet, maar nam diens motieven serieus, en juist daarom geloofde hij dat de Joodse gemeenschap zich moest voorbereiden op een strijd op leven en dood. De tragiek van zijn positie ligt in het feit dat hij zowel de rechtvaardigheid van de Joodse aanspraak als de begrijpelijkheid van de Arabische weerstand erkende, en dat hij desondanks concludeerde dat een gewapend conflict onvermijdelijk was.
Zijn houding tegenover de Arabische wereld in deze periode wordt daarom doorgaans omschreven als realistisch en soms hard, maar niet ideologisch vijandig. Zowel in zijn dagboeken als in zijn toespraken maakt hij duidelijk dat hij de Arabische afwijzing van de deling als onvermijdelijk beschouwde. Hij geloofde niet dat onderhandelingen de oorlog konden voorkomen, en hij zag het als zijn plicht om de Joodse gemeenschap voor te bereiden op een conflict dat hij als existentieel beschouwde. In een dagboeknotitie van maart 1948 schreef hij dat “het Arabische leger niet zal rusten zolang wij hier zijn, en wij kunnen niet vertrekken”. Zijn directe betrokkenheid bij de militaire planning, waaronder de eerste grote offensieve operaties van de Haganah, wordt in Israël vaak gezien als een noodzakelijke stap om de jonge staat te beschermen tegen vernietiging. Tegelijkertijd tonen zijn notities dat hij de menselijke prijs van deze beslissingen scherp voelde; hij schreef dat “elke overwinning een wond achterlaat”.
De hedendaagse Israëlische beoordeling van Ben-Gurions houding in 1947–1948 valt uiteen in verschillende stromingen, maar een brede consensus erkent zijn cruciale rol. De klassieke zionistische lezing ziet hem als de architect van de staat, een leider die de moed had om beslissingen te nemen die anderen niet durfden te nemen. Zijn dagboeken worden in deze visie gelezen als het innerlijke verslag van een man die de last van de geschiedenis droeg en toch de helderheid behield om te handelen. Kritische stemmen, vooral uit linkse hoek, wijzen erop dat zijn militaire strategieën hebben bijgedragen aan de vlucht en verdrijving van Palestijnen, maar ook zij erkennen dat zijn dagboeken een complexer en minder demoniserend beeld geven dan latere polemieken suggereren. Aan de rechterzijde wordt hij soms gezien als iemand die te veel compromissen sloot, met name door de deling te accepteren, maar ook daar blijft respect voor zijn leiderschap in de cruciale maanden van 1948.
Wanneer men in Israël vandaag terugkijkt op Ben-Gurions houding in deze periode, ziet men een leider die visionair en pragmatisch was, hard waar nodig maar niet gedreven door haat, en diep doordrongen van de historische verantwoordelijkheid die hij droeg. Zijn erkenning dat de Arabieren in zekere zin gelijk hadden in hun angst voor verlies van land, gecombineerd met zijn overtuiging dat de Joodse staat desondanks moest worden gesticht, vormt een van de meest tragische en tegelijk meest bewonderde elementen van zijn nalatenschap. Zijn dagboeken onthullen de innerlijke worsteling, zijn toespraken de publieke vastberadenheid. Samen vormen zij het beeld van een man die de staat Israël niet alleen stichtte, maar haar ook door haar meest kwetsbare uren loodste. In de Israëlische herinnering blijft hij daarom een figuur die zowel bewondering als debat oproept, maar bovenal iemand die handelde vanuit een diep besef van urgentie, historische noodzaak en tragische helderheid.
De verscheurdheid en de tragiek van die dagen heb ik in een vorige bijdrage over Ben-Gurion willen vastleggen. Juist vanuit een pro‑Israëlische houding is het van wezenlijk belang om eerlijk en zorgvuldig om te gaan met de historische gegevens, zeker wanneer het gaat om figuren als Ben-Gurion.
Een volwassen liefde voor Israël kan niet rusten op mythologie alleen, maar moet geworteld zijn in een helder begrip van de complexe werkelijkheid waaruit de staat is voortgekomen.
Ben-Gurions eigen woorden — zijn erkenning dat de Arabieren rationele redenen hadden om zich bedreigd te voelen, zijn besef dat de stichting van de staat zowel noodzakelijk als tragisch was, zijn openhartige notities over morele twijfel en strategische noodzaak — vormen geen bedreiging voor de legitimiteit van Israël, maar juist een verdieping ervan. Door deze bronnen serieus te nemen, ontstaat een beeld van een leiderschap dat niet voortkwam uit simplificatie of ideologische blindheid, maar uit een scherp besef van historische verantwoordelijkheid. Eerlijke omgang met deze gegevens maakt het mogelijk om Israëls morele en politieke keuzes beter te begrijpen, zonder ze te idealiseren of te demoniseren. Het stelt ons in staat om de staat Israël niet te verdedigen op basis van onfeilbaarheid, maar op basis van menselijke waarheid: een volk dat na eeuwen vervolging een thuis probeerde te bouwen, geleid door mensen die hun eigen twijfels en tekortkomingen kenden, maar die desondanks de moed hadden om te handelen. In die eerlijkheid schuilt geen zwakte, maar een volwassen vorm van solidariteit, die ruimte laat voor nuance zonder de kern van het zionistische project te ondermijnen.
Dag Robbert, hartelijk dank voor deze heldere uitleg!