Adorno’s analyse van het christendom is nooit eenvoudig geweest. In The Authoritarian Personality legt hij een zenuw bloot die in veel theologische en filosofische tradities liever wordt omzeild: de rol van Paulus in het ontstaan en voortbestaan van christelijk antisemitisme. Voor Adorno is dit geen bijkomstigheid, geen ongelukkige ontsporing van een verder onschuldige religie, maar een structureel element dat teruggaat tot de vroegste lagen van de christelijke zelfdefinitie.
Volgens Adorno ontstaat het probleem precies daar waar het christendom zichzelf begrijpt als de “religie van de Zoon”. Die zelfdefinitie impliceert een breuk met de “religie van de Vader”, het jodendom, en daarmee met de gemeenschap die deze religie belichaamt. De spanning tussen Zoon en Vader wordt niet alleen theologisch, maar ook sociaal uitgewerkt: de Zoon verschijnt als de vervulling, de Vader als het achterhaalde; de Zoon als de openbaring, de Vader als de schaduw. In die symbolische logica worden de Joden de levende herinnering aan een religie die het christendom meent te hebben overstegen. Adorno noemt dit een “impliciet antagonisme”, een vijandigheid die niet per se luid wordt uitgesproken, maar wel voortdurend aanwezig is als onderstroom.
Paulus is voor Adorno de beslissende figuur in dit proces. Niet omdat hij expliciet antisemitisch zou zijn in moderne zin, maar omdat hij het christendom structureert rond een breuk met de wet, met de traditie, met de concrete gemeenschap waaruit Jezus zelf voortkwam. Paulus’ theologie van genade tegenover wet, van geest tegenover letter, van Christus tegenover Torah, creëert volgens Adorno een schema waarin het jodendom noodzakelijkerwijs verschijnt als het tekort, het obstakel, het verleden dat moet worden overwonnen. Dat schema wordt vervolgens versterkt door het narratief van de kruisiging, waarin het Nieuwe Testament de verantwoordelijkheid voor Jezus’ dood bij “de Joden” legt. Adorno ziet hierin geen toevallige historische claim, maar een ideologisch mechanisme dat eeuwenlang antisemitische ressentimenten heeft gevoed.
Wat Adorno bijzonder scherp formuleert, is dat dit antagonisme vooral werkzaam is bij wat hij “zwakke” christenen noemt. Daarmee bedoelt hij gelovigen die moeite hebben met de centrale paradox van het christendom: dat het oneindige zich in het eindige zou hebben geïncarneerd. Voor Adorno is dit een fundamenteel irrationele gedachte, een breuk in de logica die voortdurend spanning oproept. Die spanning wordt vervolgens geprojecteerd op het jodendom, dat als het ware de herinnering belichaamt aan een religie zonder deze paradox, een religie waarin God niet mens wordt en waarin de scheiding tussen het goddelijke en het menselijke intact blijft. Het jodendom wordt zo de spiegel waarin het christendom zijn eigen innerlijke tegenstrijdigheid niet wil zien.
Adorno’s kritiek op Paulus is daarmee geen historische beschuldiging, maar een analyse van een structureel patroon. Paulus’ theologie vormt volgens hem de matrix waarin het christendom zichzelf begrijpt als vervulling en voltooiing, en het jodendom als datgene wat achterblijft. In die logica ontstaat een permanente mogelijkheid tot vijandigheid, een ideologische predispositie die door de geschiedenis heen telkens opnieuw geactiveerd kan worden. Adorno laat zien dat antisemitisme niet alleen een sociaal of politiek fenomeen is, maar ook een theologisch en psychologisch mechanisme dat diep in de christelijke symboliek verankerd ligt.
Juist daarom is zijn analyse zo ongemakkelijk en zo noodzakelijk. Ze dwingt tot een herlezing van Paulus die niet alleen historisch, maar ook kritisch is: een lezing die erkent hoe theologische structuren sociale gevolgen hebben, en hoe religieuze taal kan bijdragen aan het normaliseren van vijandbeelden. Adorno’s diagnose is scherp, maar niet cynisch. Ze is een uitnodiging om de eigen traditie onder ogen te zien, inclusief de schaduwen die zij werpt.
Toch blijft er iets onbevredigend aan Adorno’s analyse, juist omdat hij zo scherp is. Zijn lezing van Paulus is briljant in haar ontmaskering van de ideologische structuren die het christendom hebben gevormd, maar ze is ook eenzijdig. Adorno leest Paulus vooral als de architect van een breuk, een theoloog die de tegenstelling tussen wet en genade zo radicaal formuleert dat het jodendom noodzakelijkerwijs tot een negatief spiegelbeeld wordt. Maar in die lezing verdwijnt de historische Paulus grotendeels uit beeld. De Paulus die worstelt met zijn eigen joodse identiteit, de Paulus die zich beweegt binnen een pluriform jodendom van de eerste eeuw, de Paulus die zijn brieven schrijft aan kleine, kwetsbare gemeenschappen in een imperiale wereld—die Paulus komt bij Adorno nauwelijks aan bod.
Adorno’s kritiek is bovendien sterk structureel en weinig historisch. Hij leest Paulus door de bril van twintig eeuwen christelijke receptie, alsof de latere geschiedenis al in de brieven besloten lag. Dat maakt zijn analyse krachtig, maar ook problematisch. Het risico is dat Paulus verantwoordelijk wordt gemaakt voor ontwikkelingen die pas veel later gestalte kregen, vaak in contexten waar Paulus zelf geen enkele invloed meer had. De complexe geschiedenis van christelijk antisemitisme wordt zo teruggebracht tot één theologische oorsprong, terwijl die geschiedenis in werkelijkheid gevormd is door politieke belangen, sociale spanningen, machtsdynamieken en culturele mythes die zich ver buiten de paulinische teksten afspeelden.
Daarnaast is Adorno’s interpretatie van de christelijke paradox—de oneindige die eindig wordt—weliswaar filosofisch scherp, maar theologisch gezien nogal reductionistisch. Hij leest de incarnatie uitsluitend als een irrationele breuk die spanning oproept, en ziet niet dat deze paradox binnen de christelijke traditie ook is opgevat als een beweging van solidariteit, nabijheid en kwetsbaarheid. Door die dimensie te negeren, blijft zijn analyse gevangen in een schema van antagonisme dat misschien meer zegt over Adorno’s eigen filosofische project dan over Paulus zelf.
Dat alles neemt niet weg dat Adorno’s diagnose een belangrijke waarschuwing bevat. Hij dwingt ons om te erkennen dat religieuze taal nooit neutraal is en dat theologische structuren sociale gevolgen hebben. Maar zijn kritiek vraagt om aanvulling: een historisch bewustzijn dat Paulus niet reduceert tot de vader van een ideologie, en een theologisch bewustzijn dat ruimte laat voor de ambivalenties en tegenstemmen binnen de christelijke traditie zelf. Misschien is dat de meest vruchtbare manier om Adorno te lezen: niet als laatste woord, maar als een noodzakelijke provocatie die uitnodigt tot een eerlijker en complexer gesprek.