Het idoliseren van Israel? (1)

Een fascinerend artikel van Steven Paas. Ik ben het, denk ik, nog nooit zo hartgrondig met een andere theoloog oneens geweest. Het artikel draagt de titel: Het idoliseren van Israël schaadt niet alleen joden en christenen, maar iedereen. (1)  Vooral in deze tijd van het conflict tussen Israël en Hamas is dat een bewering in een context waarin het makkelijk als een pro-Palestijnse positie kan worden gezien. Erger nog, er zullen ongetwijfeld mensen zijn die dit zien als een cryptische vorm van antisemitisme. In de komende periode zal ik dit artikel van Paas punt voor punt bespreken, maar ik doe dat niet door hemzelf aan de orde te stellen. Ik reageer alleen op dertien beweringen die hij doet, maar ik neem ze bewust uit de context en behandel ze alsof het losse uitspraken zijn. Daarmee doe ik collega Paas niet geheel en al recht, maar ik neem zijn uitspraken op die manier toch wel serieus. Hier is de inleiding:


Veel discussies over Israël en de Kerk draaien om de vraag of Christus’ komst de bijzondere plaats van Israël heeft opgeheven. Wie echter de Schrift zelf laat spreken, ontdekt dat de bijbelteksten die het vaakst worden aangehaald om Israëls rol te relativeren, juist het tegenovergestelde suggereren.

Paulus begint in Romeinen 11 met de vraag: “Heeft God zijn volk verstoten?” en antwoordt onmiddellijk: “Volstrekt niet!” (Rom. 11:1). Deze uitspraak staat niet los in de lucht, maar vormt de basis voor zijn hele betoog over de verhouding tussen Israël en de volken. Even verderop zegt hij dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn” (Rom. 11:29). Als God zijn roeping niet terugneemt, dan kan de komst van Christus niet betekenen dat Israël zijn plaats verliest. Integendeel, Christus bevestigt juist wat God eerder heeft beloofd.

Dat wordt nog duidelijker wanneer Paulus schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). Christus komt dus niet om Israëls roeping te vervangen, maar om haar te vervullen en te bevestigen. De vervulling van de beloften betekent niet dat de beloften ophouden te bestaan, maar dat ze hun betrouwbaarheid juist in Christus vinden. Daarom spreekt Paulus over de heidenen als wilde loten die geënt worden op een bestaande olijfboom, en hij waarschuwt: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18). De Kerk leeft dus uit de wortel van Israël; zij neemt die wortel niet over en vervangt haar niet.

Ook Jezus zelf spreekt niet over een opheffing van Israëls betekenis. Tegen de Samaritaanse vrouw zegt Hij: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen historische constatering, maar een theologische uitspraak over de weg die God heeft gekozen om de wereld te redden. In de tempel wordt Hij begroet als de “Zoon van David” (Mt. 21:9), en in Openbaring wordt Hij nog steeds genoemd “de leeuw uit de stam Juda” (Op. 5:5). Zelfs in de eschatologische toekomst blijft zijn Joodse identiteit betekenisvol. Simeon noemt Hem “een licht voor de heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lk. 2:32). De universaliteit van Christus’ werk en de bijzondere roeping van Israël staan hier niet tegenover elkaar, maar naast elkaar.

De profeten bevestigen dit patroon. Jesaja spreekt over een tijd waarin God “Zijn hand opnieuw zal opheffen om het overblijfsel van Zijn volk terug te winnen” (Jes. 11:11), en Ezechiël profeteert dat God “de kinderen van Israël uit de volken zal verzamelen” (Ez. 37:21). Wanneer de leerlingen Jezus vragen: “Zult Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?” (Hand. 1:6), corrigeert Hij niet de inhoud van hun verwachting, maar alleen de timing: “Het komt u niet toe de tijden te weten…” De verwachting zelf blijft daarmee open. Paulus sluit zich daarbij aan wanneer hij zegt: “Heel Israël zal worden gered” (Rom. 11:26). Deze woorden zijn geen uitdrukking van etnisch privilege, maar van Gods eigen trouw.

Wie deze teksten achter elkaar leest, merkt dat de Schrift zelf een spanningsvolle maar consistente lijn trekt. Christus staat centraal, maar Hij staat centraal als de Messias van Israël. De volken worden niet in plaats van Israël geroepen, maar worden toegevoegd aan wat God al begonnen was. De universaliteit van het evangelie wordt niet bedreigd door Israëls bijzondere roeping, maar juist gedragen door de weg die God met dit volk is gegaan. De wortel is heilig, omdat God haar heeft geheiligd, en wie dat erkent, kan Israël niet verachten en ook niet vervangen. In Christus wordt Gods liefde voor Israël niet opgeheven, maar bevestigd — en juist daardoor wordt zij liefde voor de wereld.


(1) Gevonden op 17-1-2026:  https://www.linkedin.com/pulse/idoliseren-van-isra%C3%ABl-schaadt-joden-en-christenen-steven-paas-2e/?trackingId=ds9BwpjnT56Qb9tZy9ad9w%3D%3D
Een andere versie is te vinden op: https://cvandaag.nl/premium/93020-idoliseren-van-israel-schaadt-joden-en-christenen/Gx1VCFZaASghYRgRR0xKchMUGBY

 

 

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

2 reacties op Het idoliseren van Israel? (1)

  1. Eberg schreef:

    Geachte broeder Veen,
    Van harte eens met uw bijdrage. Al langer zie ik een verlinksing van bepaalde universitaire docenten. Hun positie tov Israël doet mij verdriet. Soms denk ik dat de menselijke ratio het geloof in de weg staat. Maar wie ben ik?

    • Robbert Veen schreef:

      Heel bemoedigend dat u dit ziet. Er is niet veel aan te doen, ben ik bang, behalve stug doorgaan met het beantwoorden van deze nieuwe, in mijn ogen gevaarlijke anti-joodse theologie.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *