De midrasj op Exodus 9:22 en 19:20 bevat een van de diepste theologische uitspraken uit de rabbijnse literatuur: dat God bij de Sinaï‑openbaring tijdelijk de kosmische grens ophief die Hij bij de schepping had ingesteld. Psalm 115:16 had een strikte scheiding vastgesteld: “De hemel is de hemel van de HEER, maar de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven.” Toch wordt deze scheiding bij de openbaring opgeheven. De midrasj verbeeldt dit door middel van een koningsgelijkenis: zoals een koning eerst reizen tussen twee rijken verbiedt en later dat verbod intrekt, zo scheidt God eerst hemel en aarde, en brengt Hij ze later weer samen. Bij de Sinaï “stijgt het lagere op naar het hogere, en daalt het hogere neer naar het lagere,” en God Zelf neemt het initiatief.
Deze passage verwoordt een Joodse theologie van ontmoeting: God en mens bewegen naar elkaar toe zonder in elkaar op te gaan. Openbaring is geen eenzijdige goddelijke daad, maar ook geen menselijke opstijging tot het goddelijke. Het is een ontmoeting, een verbondsmatige convergentie van twee onderscheiden domeinen. De midrasj benadrukt dit door twee verzen naast elkaar te plaatsen: “De HEER daalde neer op de berg Sinaï” (Ex. 19:20) en “Tot Mozes zei Hij: Klim op tot God” (Ex. 24:1). Openbaring is dus een wederzijdse beweging, een choreografie van nadering.
Dit idee staat in scherp contrast met Hegels metafysica, waarin het goddelijke en het menselijke uiteindelijk één natuur delen. Voor Hegel realiseert het Absolute zichzelf door de ontwikkeling van de menselijke geest; het onderscheid tussen God en mens is niet definitief, maar wordt dialectisch opgeheven. In Hegels lezing van het christendom is de incarnatie het beslissende moment waarin het goddelijke mens wordt en het menselijke goddelijk. De grens tussen hemel en aarde wordt niet tijdelijk opgeschort, maar in principe afgeschaft. De goddelijke zelf‑vervreemding culmineert in een eenheid van wezen.
De midrasj daarentegen staat op het standpunt van twee bewegingen, niet één. God daalt neer, maar blijft God; Mozes stijgt op, maar blijft mens. De ontmoeting is werkelijk, intiem, transformerend — maar het ontologische onderscheid blijft bestaan. Het jodendom bevestigt relatie zonder identiteit, nabijheid zonder versmelting. Sinaï is niet de opheffing van verschil, maar de heiliging ervan.
De christelijke theologie, vooral in haar klassieke formuleringen, bevindt zich ergens tussen deze twee polen. Net als de midrasj bevestigt zij een goddelijke neerkomst — God treedt de geschiedenis binnen, spreekt, handelt, openbaart. Maar anders dan de midrasj situeert het christendom het beslissende moment van ontmoeting niet op de Sinaï, maar in de incarnatie, waarin het goddelijke menselijke natuur aanneemt. In de christelijke visie wordt de grens tussen hemel en aarde niet slechts tijdelijk opgeschort, maar wezenlijk overschreden. Het Woord wordt vlees; de goddelijke en menselijke natuur worden verenigd in de persoon van Christus. Openbaring is niet alleen relationeel, maar ook ontologisch.
Zo delen de midrasj en het christendom de intuïtie dat God naar de mens toekomt, maar verschillen zij radicaal in de betekenis van die beweging. Voor het christendom culmineert de goddelijke neerkomst in eenheid; voor het jodendom culmineert zij in verbond. Het christendom ziet de ontmoeting van hemel en aarde als een transformatie van het zijn; het jodendom ziet haar als een transformatie van de relatie.
Hegel radicaliseert de christelijke intuïtie door de goddelijk‑menselijke identiteit tot de structuur van de werkelijkheid zelf te maken. Het Absolute wordt zelfbewust in de menselijke geest; de geschiedenis is het proces waarin God tot zichzelf komt. De midrasj daarentegen verzet zich tegen elke metafysische eenwording. God mag neerdalen, maar blijft oneindig verheven; de mens mag opstijgen, maar blijft eindig. De ontmoeting is werkelijk juist omdat het verschil werkelijk is.
De midrasj biedt daarom een visie die noch Hegeliaanse identiteit, noch christelijke incarnatie is, maar iets specifiek Joods: een wederzijdse nadering zonder ontologische versmelting. Sinaï is een moment van nabijheid, niet van identiteit; van ontmoeting, niet van eenwording. God en mens ontmoeten elkaar in een gedeelde ruimte, maar worden geen één substantie. Het goddelijke blijft goddelijk, het menselijke blijft menselijk, en de Torah wordt de brug tussen beide.
Zo biedt de midrasj een theologie van openbaring die zowel transcendentie als immanentie bewaart zonder een van beide te laten verdwijnen. Hij bevestigt dat God grenzen kan overschrijden, maar ook dat grenzen betekenisvol zijn. Hij leert dat hemel en aarde elkaar kunnen ontmoeten, maar alleen op een wijze die de integriteit van beide eerbiedigt. En hij suggereert dat de diepste religieuze waarheid niet ligt in het uitwissen van verschil, maar in de wederzijdse beweging over verschil heen, een dans van nadering die de verbondsrelatie vormt die het hart van het jodendom uitmaakt.