Heeft Petrus op Gods gezag de Wet van Mozes overtreden?

 JEWS AND GENTILES IN THE ECCLESIA: EVALUATING THE THEORY OF INTRA-ECCLESIAL JEW-GENTILE DISTINCTION By David B. Woods

4.3 [p. 36]

Petrus was een vrome, gezagsgetrouwe Jood, die naar eigen zeggen “nooit iets gewoons en onreins gegeten had”. Toch vertelt Handelingen ons: En [Petrus] zeide tot het huisgezin van Cornelius],

“Gij weet, dat het een Jood verboden is met een vreemdeling om te gaan of hem te benaderen. En aan mij heeft God getoond, dat ik geen mens gemeen of onrein mag noemen. Daarom – en zonder enig bezwaar te maken – ben ik gekomen, toen men mij verzocht. Daarom vraag ik, om welke reden gij mij gezonden hebt?

Bovendien was Petrus de hoofdapostel. Zijn rituele reinheid en leiderschapsrol waren kritieke elementen van zijn uitverkiezing door God om de getuige van het visioen te zijn en de eerste drager van het evangelie aan de heidenen. Het getuigenis van een Joodse gelovige die verontreinigd was of geen gezagspositie had, zou niet het gewicht hebben gedragen van iemand met de kwaliteiten en positie van Petrus. Petrus beweerde dat het voor Joden onwettig is om met heidenen om te gaan – terwijl er in de Wet van Mozes niets tegen geschreven staat. Zou Petrus verwijzen naar de Mondelinge Wet, die zelfs door Jezus als gezaghebbend beschouwd werd (Matth. 23:3), dan was de omgang van Joden met heidenen ook niet in strijd met de Mondelinge Wet, maar wel met sterk gehandhaafde sociale gebruiken, die als halakha afgedwongen werden. Lukas’ woordkeus ondersteunt impliciet deze stelling: het is athemitos “verboden”, volgens de Holman Christian Standard Bible en LEB, niet anomos, “onwettig”.

De Tannaïsche halakha betreffende de gemeenschap tussen Joden en niet-Joden werd gecompliceerd door verschillen tussen Joodse sekten die tegenstrijdige halakhot volgden: sommigen veroordeelden het, terwijl anderen het onder bepaalde voorwaarden goedkeurden. Tomson geeft voorbeelden van beide kanten, en legt uit dat de rabbijnen, die oordeelden dat Joden geen gemeenschap met heidenen mochten hebben, een minderheid vormden, zelfs binnen het Land. Uit Handelingen zou blijken dat Petrus deze meer behoudende opvatting aanhing, evenals de partij van de besnijdenis (11:2-3), en waarschijnlijk ook Jakobus (Gal 2:12-13) vóór het apostolisch concilie in Handelingen. De vereniging tussen Joden en heidenen zou dus als “onwettig” beschouwd kunnen worden, maar alleen wat betreft een omstreden halakha die door minderheidssekten gehouden werd, en niet wat betreft het verbondsrecht. Stern gaat verder door zelfs te zeggen dat “verboden” te sterk is: “het woord “athemitos”, dat slechts twee keer in het Nieuwe Testament gebruikt wordt, betekent niet “onwettig, verboden, tegen de joodse wet”, … maar eerder “taboe, uit den boze, niet als juist beschouwd, tegen de standaardpraktijk, in strijd met de culturele normen.”

Bruce, Witherington, en Stott zijn het er allemaal over eens dat “taboe” de voorkeur heeft. Het Jodendom heeft de heidenen nooit formeel als ontologisch onrein geclassificeerdν, maar de heersende afgoderij en seksuele immoraliteit in de heidense samenleving – vooral de heidense Grieks-Romeinse samenleving van die tijd – had tot gevolg dat zij onrein waren. Om die redenen werden er Joodse regels ingevoerd om zich van de heidenen te distantiëren.

Hoewel dergelijke voorschriften geen Schriftuurlijke autoriteit droegen, raakten zij wel verankerd in het Joodse denken. Zoals Stern uitlegt, werd de classificatie van niet-Joodse produkten en praktijken als onrein voor de Joden waarschijnlijk uitgebreid tot de niet-Joden zelf, wat resulteerde in een alomtegenwoordige negatieve houding ten opzichte van niet-Joden. Maar besmetting door omgang met heidenen was niet automatisch. Handel tussen Joden en niet-Joden kwam veel voor. Tafelgemeenschap tussen Joden en niet-Joden wordt zelfs in de Misjna vermeld, aangezien “het samenleven met heidenen als een feit van het leven werd aanvaard” .

Het punt is hier dat het voor Petrus in feite niet onwettig was “om met een vreemdeling om te gaan of hem te benaderen”, en evenmin verklaarde Petrus daarmee de Wet nietig. In plaats daarvan had God hem geopenbaard dat heidenen niet intrinsiek onrein zijn, en dus werd het taboe om met hen om te gaan ongeldig verklaard. Bock vermeldt de Joodse traditie in de Midrasj Psalmen dat God op een dag (zinspelend op de dagen van de Messias) alle dieren rein zou verklaren.

Dit is geen overtuigend bewijs voor zijn interpretatie van Petrus’ visioen. Ten eerste is de verwijzing naar “[De HEERE] bevrijdt gevangenen”, en daarom is het verband met de reiniging van onrein voedsel op zijn best zwak. Bovendien geeft de midrasj hierover geen uitsluitsel, er staat “Sommigen zeggen dat elk schepsel dat in de tegenwoordige wereld als onrein wordt beschouwd, de Heilige, gezegend zij Hij, rein zal verklaren in de toekomende eeuw”. Aggadisch materiaal is niet gezaghebbend, althans niet in de evangelische traditie. De midrasj is aantoonbaar in strijd met Jeremia 31:33ν bovendien leven wij niet in “het toekomende tijdperk”, onder de heerschappij van de Messias over de volken vanuit Jeruzalem, zoals de traditie voorzag. Brown maakt evenzo bezwaar tegen deze toepassing van de midrasj op Marcus, omdat, ten eerste, “de discipelen, gedurende vele jaren na deze leer, de Torah bleven volgen, en ten tweede, dat het veranderen van de wet in tegenspraak zou zijn met Jesjoea’s berisping van de Farizeeën”, verwijzend naar Mattheüs.

Terugkomend op het punt dat de betrekkingen tussen Joden en heidenen niet echt onwettig waren, is het belangrijk op te merken dat Cornelius en vrijwel zeker “zijn verwanten en naaste vrienden”, die gekomen waren om Petrus te horen, Godvrezende mensen waren.Zij waren dus eerbiedig voor de Joodse Wet, en hielden zich waarschijnlijk zelf aan de spijswetten. Zij waren zeker geen rangloze, onzedelijke, heidense afgodendienaars. Petrus gaf aan dat zij voor God aanvaardbaar waren, omdat zij Hem vreesden en deden wat goed was. Aangezien dit het geval is, is het onwaarschijnlijk dat er überhaupt onrein voedsel in het huis van Cornelius was. Hij placht veel liefdadige daden te doen voor “het volk”, waarmee vrijwel zeker het Joodse volk bedoeld werd. Hij bad ook “voortdurend” of “regelmatig”, letterlijk, “door alles heen” (dia pantos). Waarschijnlijk bad hij zelfs volgens de gewone Joodse gebedstijden, want de engel verscheen aan hem terwijl hij om drie uur ‘s middags aan het bidden was – het uur voor het dagelijkse Joodse gebed. Zijn vroomheid werd door God zelf opgemerkt.

Op het ogenblik van de ontmoeting met de engel had Petrus geen reden om te geloven dat de Wet tenietgedaan was, hoewel hij wel beseft moet hebben dat het gehoorzamen aan Gods instructies in strijd was met de Joodse sociale mores. Voor hem, als een de Wet respecterende Godvrezende en iemand die Petrus hoogachtte, zou het ondenkbaar geweest zijn zijn Joodse gasten te beledigen door hun onrein voedsel aan te bieden. Tot driemaal toe vermeldt Lukas het verhaal van de niet-Jood, Cornelius, en zijn huisgezin, die in het evangelie geloven en de Heilige Geest ontvangen. Dit drietal vestigt de aandacht op het heidense reinigingsthema, terwijl het voedsel geheel genegeerd wordt. Tezamen weerleggen deze feiten de traditionele christelijke bewering dat Petrus de wet overtrad door met Cornelius te eten, en verder, dat dit bewijst dat hij onrein voedsel at. “Het visioen betrof de mensen, niet het menu”. De spijswetten zijn in deze gebeurtenissen helemaal niet aan de orde, de nadruk ligt geheel op een verandering in de verhouding tussen Joden en heidenen, niet zijnde een verandering in de Wet, maar in de culturele traditie.

2 gedachten over “Heeft Petrus op Gods gezag de Wet van Mozes overtreden?

  1. Ik snap niet alles wat de schrijver zegt. Mij viel bij het lezen van Handelingen 10 op dat Petrus een visioen krijgt met onreine dieren, terwijl hij dit vervolgens, op bezoek bij Cornelius, uitlegt als dat hij geen enkel mens als onrein mag beschouwen (vs. 28 en 34). ‘Het visioen betreft de mensen, niet het menu’, zoals de schrijver zegt. Hoe is deze bredere uitleg te verklaren?

  2. leuk stukje.
    De “ham” vraag is geloven wij wat God zegt of wat mensen zeggen? Waar zegt God dat Hij Zijn wetten en bepalingen heeft veranderd, of zegt Hij dat Hij is, was en voor altijd dezelfde is, die niet veranderd? Waar in de Bijbel staat dat God zelf zegt dat Zijn Woord is veranderd of is Zijn Woord voor eeuwig??
    Ook in de de tijd van ‘Jezus’ was het al gewoon dat mensen werden geleerd om de mensen wetten te doen. Daar gaat ‘Jezus’ en Paulus keihard tegen in, niet tegen Gods wetten!
    God zegt nergens dat je andere volkeren moet vermijden, sterker nog Israël was en is bedoeld als licht voor de natiën. Wat betreft de uiteenzetting van dat de Bijbel in het verhaal met Petrus de mensen bedoelt en niet het eten is, in mijn ogen helemaal correct. Halacha is hetgeen wat een Hebreeuws gebruik is wat ongeveer betekend dat je de doet wat je je God/vader/leraar ziet doen. ‘Jezus’ zei het zo; ” IK doe alleen wat ik de Vader heb zien doen, ik spreek alleen Zijn Woord” en vervolgens zei Hij “doe gij evenzo” Ook Paulus liet deze Halacha keer op keer zien wanneer hij zei “ik doe wat Christus heeft gedaan, doe gij wat jij mij heb zien doen” (met Christus als voorbeeld) En dat is de Les die voor alle onderwerpen geld. Heb je gezien of gehoord wat JHWH, ‘Jezus’ deed, doe dat dan ook. Of doe wat de mensen zeggen. God zegt kies, kies het leven, kies de zegen, of niet.

    Shalom Raymond

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.