Gods liefde voor Israël is nu universeel geworden (14)

13. In Christus is Gods liefde voor Israël vervuld en uitgebreid tot de hele wereld.

Citaat: “In Christus… is [Gods liefde voor Israël] werkelijkheid geworden in Zijn liefde voor de gehele wereld.”


Stelling 13 tenslotte claimt dat in Christus Gods liefde voor Israël is vervuld en daarom Israël geen andere status heeft dan die van alle volken.

Vanuit het perspectief dat Gods verbond met Israël blijvend is, overtuigt deze conclusie niet.

Ik hoef eigenlijk alleen maar te herinneren aan eerdere argumenten die de blijvende en bijzondere betekenis van Israël onderstrepen: De Schrift zelf verbindt de vervulling in Christus niet met het opheffen van Israëls bijzondere roeping, maar juist met de bevestiging ervan. Paulus schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). Christus’ komst betekent dus niet dat Israël opgaat in de volken, maar dat Gods beloften aan Israël hun betrouwbaarheid juist in Hem vinden.

De gedachte dat Israëls status na Christus identiek zou zijn aan die van alle andere volken wordt door Paulus expliciet tegengesproken. Hij zegt dat “God zijn volk niet heeft verstoten” (Rom. 11:1) en dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn” (Rom. 11:29). Deze uitspraken laten zien dat Gods verbond met Israël niet wordt geannuleerd door de komst van Christus. De universaliteit van het evangelie staat niet tegenover Israëls bijzondere roeping, maar is ermee verweven. De heidenen worden niet in plaats van Israël geroepen, maar worden als wilde loten geënt op de bestaande olijfboom. Daarom waarschuwt Paulus: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18).

Ook Jezus zelf spreekt niet over een opheffing van Israëls betekenis. Hij zegt tegen de Samaritaanse vrouw: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen historische constatering, maar een theologische uitspraak over de weg die God heeft gekozen om de wereld te redden. Simeon noemt Jezus daarom zowel “een licht voor de heidenen” als “tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lk. 2:32). De komst van Christus verheft Israël niet boven de volken, maar ontneemt het ook niet zijn eigen plaats in Gods heilsplan. Beide dimensies blijven naast elkaar bestaan.

De stelling dat Israëls status na Christus identiek zou zijn aan die van alle andere volken, miskent bovendien dat het Nieuwe Testament zelf een toekomst voor Israël schetst die niet samenvalt met de Kerk. Paulus spreekt over een tijd waarin “heel Israël zal worden gered” (Rom. 11:26). Deze verwachting wordt niet gepresenteerd als een algemeen eschatologisch beeld voor alle volken, maar als iets dat specifiek Israël betreft. De redding van de volken en de redding van Israël zijn twee lijnen die in Christus samenkomen, maar niet worden samengevoegd tot één ongedifferentieerd geheel.

Vanuit dit geheel van bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar

dat Christus’ vervulling van Gods liefde voor Israël niet betekent dat Israël zijn bijzondere roeping verliest. De universaliteit van het evangelie wordt niet bedreigd door Israëls blijvende betekenis, maar juist verdiept. Christus is de vervulling van Gods beloften aan Israël, niet hun ontkenning. Gods trouw aan Israël blijft een teken van zijn trouw aan de wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in polemiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *