Tekst van de verkondiging in Julianadorp, op 31 december 2025.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Oudejaarsavond is een avond waarop de tijd even anders klinkt. Alsof de klok niet alleen tikt, maar ook fluistert. Hoewel velen onder ons er alles aan doen om het onmogelijk te maken die stilte te ervaren…) Alsof de wereld een pas op de plaats maakt en wij, misschien met een glas champagne in onze handen, ons bevinden op een smalle drempel tussen twee jaren. En precies op zo’n drempel klinkt Psalm 90 — een psalm die zelf ook op een drempel staat: tussen Gods eeuwigheid en onze tijdelijkheid, tussen de woestijn van het leven en de belofte van Gods trouw. (Wat is precies dat moment tussen het oude en het nieuwe jaar? Het valt niet te meten. Je ziet de beweging van de secondenwijzer, en halverwege is dan die overgang. )
Psalm 90 is uniek. Het is de enige psalm die aan Mozes wordt toegeschreven. Dat is niet zomaar een opschrift; het kleurt de hele tekst. Mozes is de man die veertig jaar lang door de tijd heeft gelopen met een volk dat telkens vergat wie God was. Hij is de man die de vergankelijkheid van het leven van dichtbij heeft gezien: generaties die stierven in de woestijn, mensen die kwamen en gingen, dagen die voorbijgleden als zand door de vingers. En juist hij begint deze psalm met de woorden:
“Heer, Gij zijt ons een toevlucht geweest, van geslacht tot geslacht.”
Het Hebreeuwse woord voor “toevlucht” is ma’on — letterlijk: een woonplaats, een thuis. Mozes zegt dus niet: “U bent onze bescherming,” maar: “U bent onze woning.” Dat is theologisch van groot belang. Voordat Mozes iets zegt over onze vergankelijkheid, zegt hij iets over Gods nabijheid. Voordat hij spreekt over de kortheid van ons leven, spreekt hij over de ruimte van Gods eeuwigheid.
De psalm begint dus niet bij de mens, maar bij God. Niet bij onze tijd, maar bij zijn eeuwigheid. Dat is de eerste beweging van de psalm: van boven naar beneden.
En dan komt dat beroemde vers:
“Duizend jaar zijn in uw ogen als de dag van gisteren wanneer hij voorbijgegaan is.”
Het Hebreeuws gebruikt hier het woord yom — dag — niet als een meeteenheid, maar als een ervaring. “Dag”, dat is de menselijke tijd. Voor God is duizend jaar niet veel of weinig; het is eenvoudigweg niet wat het voor ons is. God staat niet in de tijd zoals wij, maar boven de tijd. Hij is niet onderworpen aan de opeenvolging van momenten. Hij is de Ene die is.
Dit vers is geen poëtische overdrijving, maar een theologische correctie. Het wil zeggen: als wij onze dagen willen begrijpen, moeten we ze zien in het licht van Gods tijd. Onze tijd is lineair, breekbaar, vluchtig. Gods tijd is omvattend, dragend, eeuwig. En precies daarom is het zo bevrijdend: onze dagen zijn kort, maar ze zijn niet verloren. Ze worden opgenomen in Gods eeuwige geheugen.
En dan komt het gebed dat het hart van de psalm vormt:
“Leer ons onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.”
Het Hebreeuwse werkwoord voor “tellen” is manah — hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor het tellen van manna in de woestijn. Het betekent niet alleen rekenen, maar onderscheiden, waarderen, heiligen. Mozes bidt dus niet: “Leer ons beseffen dat het leven kort is,” maar: “Leer ons leven in het ritme van Uw tijd.”
Een “wijs hart” — lev chacham — is in de Bijbel nooit een hart dat veel weet, maar een hart dat goed ziet. Een hart dat leeft vanuit Gods perspectief. Een hart dat begrijpt dat tijd een gave is, geen bezit. Dat dagen niet vanzelfsprekend zijn, maar toevertrouwd.
Maar Psalm 90 is niet alleen een psalm van wijsheid; het is ook een psalm van eerlijkheid. Mozes zegt:
“Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze verborgen zonden in het licht van uw aanschijn.”
Het woord voor “verborgen” is alam — dat wat we liever niet zien, dat wat we wegstoppen. En het woord voor “aanschijn” is panecha — uw aangezicht, uw aanwezigheid. Mozes zegt: in Gods licht komt alles tevoorschijn. Niet om ons te verpletteren, maar om ons te bevrijden. Want wat in het licht komt, hoeft niet langer verborgen te blijven. En wat niet langer verborgen hoeft te blijven, kan genezen.
En dan, na de eerlijkheid, komt de hoop. De psalm eindigt met een gebed dat bijna teder is:
“Bevestig het werk van onze handen — ja, bevestig het werk van onze handen.”
Het Hebreeuwse woord voor “bevestigen” is kun — stevig maken, verankeren, duurzaam maken. Het is een woord dat je gebruikt voor iets dat anders zou omvallen. En dat is precies wat onze menselijke arbeid is: waardevol, maar kwetsbaar. Mooi, maar breekbaar.
Mozes bidt dus: “Heer, neem wat wij doen — onze liefde, onze zorg, onze arbeid, onze kleine daden van recht — en maak ze duurzaam. Laat ze niet verdwijnen in de maalstroom van de tijd. Veranker ze in Uw eeuwigheid.”
Dit is geen gebed om succes, maar om betekenis. Geen gebed om controle, maar om deelname aan Gods werk. Geen gebed om applaus, maar om duurzaamheid.
En zo staan we hier, op de drempel van een nieuw jaar. We kijken terug met aandacht — want onze dagen zijn geschenken. We kijken terug met eerlijkheid — want God kent onze schaduwen en nodigt ons uit tot waarheid. En we kijken vooruit met hoop — want het werk van onze handen is niet alleen van ons. Het wordt gedragen door de Eeuwige, die duizend jaar ziet als een dag, en toch elke dag van ons leven met liefde aanschouwt.
“Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
Dat is de grond waarop wij het nieuwe jaar binnengaan. Niet onze prestaties, niet onze plannen, niet onze controle, maar Gods trouw. Zijn liefde die elke ochtend nieuw is. Zijn genade die onze dagen draagt. Zijn licht dat onze weg verlicht.
Moge het nieuwe jaar een jaar zijn waarin we leren leven in het ritme van Gods tijd. Een jaar waarin we onze dagen tellen in het licht van zijn eeuwigheid. Een jaar waarin ons werk, onze liefde, onze inzet wordt bevestigd door Hem die alles draagt.
Amen.