2. Deze uitzonderingspositie ondermijnt de unieke, centrale plaats van Christus.
Citaat: “Hierdoor [is] de unieke centrale positie van Christus als de ‘Redder van de wereld’ onder druk komen te staan.”
Vanuit mijn perspectief dat Gods trouw aan Israël blijvend is, overtuigt deze stelling niet.
Dat Christus het hart van de Schrift is, staat niet ter discussie, maar de conclusie dat daarmee Israëls eigen plaats vervalt, volgt niet uit de Bijbel. Integendeel: het Nieuwe Testament zelf verbindt Christus’ komst juist met de bevestiging van Gods beloften aan Israël. Paulus schrijft dat “Christus een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). Christus staat dus niet tegenover Israëls roeping, maar is de garantie dat die roeping niet wordt losgelaten.
Ook Jezus zelf spreekt niet over de opheffing van Israëls plaats in Gods plan. Hij zegt: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22), een uitspraak die niet alleen historisch maar ook theologisch geladen is. De Messias komt niet om de wortel te vervangen, maar om haar vrucht te laten dragen. Daarom waarschuwt Paulus de heidenchristenen: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18). Een christocentrische lezing die Israël marginaliseert, staat daarmee op gespannen voet met Paulus’ eigen argumentatie.
De stelling veronderstelt dat Christus’ centrale positie noodzakelijk betekent dat alle eerdere structuren worden opgeheven. Maar Jezus zegt zelf: “Ik ben niet gekomen om de wet of de profeten af te schaffen, maar om te vervullen” (Mt. 5:17). Vervulling is geen annulering. De profetische verwachting wordt niet ontkracht, maar verdiept. Dat geldt ook voor de beloften aan Israël. Paulus spreekt daarom over een toekomst waarin “heel Israël zal worden gered” (Rom. 11:26), en hij verbindt die verwachting niet met een etnisch privilege, maar met Gods eigen trouw: “De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk” (Rom. 11:29).
Christus is het centrum van de Schrift, maar dat centrum is geworteld in Gods weg met Israël. De Messias verschijnt niet in een vacuüm, maar als “Zoon van David” (Mt. 1:1), als vervulling van de profeten, als degene die de beloften aan Abraham bevestigt. Een christologie die Israël theologisch wegdenkt, loopt het risico de Messias los te maken van het volk waarvan Hij zelf zegt dat het Gods weg tot de wereld is. De Schrift zelf laat zien dat Christus’ centrale positie niet betekent dat Israël overbodig wordt, maar dat Gods trouw aan Israël juist in Christus haar bevestiging vindt.