7. Toekomstverwachtingen voor Israël zijn gebaseerd op betwiste interpretaties en niet christocentrisch.
Citaat: “Deze ‘tegoed’-theorieën… kunnen niet worden verzoend met een consistente christocentrische hermeneutiek.”
Stelling 7 stelt dat het Evangelie geen speciale status toekent aan rassen of volken, en dat daarom de geestelijke status van Israël niet verschilt van die van andere volken.
Vanuit het perspectief dat Gods verbond met Israël blijvend is, overtuigt deze conclusie niet.
De Schrift zelf maakt namelijk onderscheid tussen Gods universele liefde voor alle volken en zijn specifieke, verbondsmatige trouw aan Israël. Dat onderscheid is geen etnisch privilege, maar een theologische realiteit die door God zelf is ingesteld. In Deuteronomium wordt gezegd: “U bent een volk dat de HEERE, uw God, toebehoort… niet omdat u talrijker was, maar omdat de HEERE u liefhad” (Deut. 7:6–8). Deze liefde is niet gebaseerd op etniciteit, maar op Gods eigen verkiezing en trouw.
Paulus bevestigt dit onderscheid wanneer hij spreekt over Israël als het volk “aan wie de verbonden, de beloften en de eredienst toebehoren” (Rom. 9:4). Hij gebruikt hier de tegenwoordige tijd, alsof deze gaven nog steeds bij Israël horen. Tegelijk benadrukt hij dat deze bijzondere positie niet betekent dat Israël geen verlossing nodig heeft, maar dat het volk een unieke plaats inneemt in Gods heilsplan. Daarom zegt hij dat “de wortel heilig is” (Rom. 11:16) en dat de heidenen slechts als wilde loten zijn geënt op deze bestaande olijfboom. De waarschuwing “Wees niet hoogmoedig, maar vrees” (Rom. 11:20) veronderstelt dat Israël een blijvende betekenis heeft die niet door de Kerk kan worden geannuleerd.
Het Nieuwe Testament maakt bovendien duidelijk dat Gods trouw aan Israël niet wordt opgeheven door de komst van Christus. Paulus stelt expliciet dat “God zijn volk niet heeft verstoten” (Rom. 11:1) en dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn” (Rom. 11:29). Deze uitspraken laten zien dat Gods verbond met Israël niet wordt opgeheven door de universele reikwijdte van het evangelie. De universaliteit van Christus’ werk staat niet tegenover Israëls bijzondere roeping, maar is ermee verweven. Simeon zegt dat Christus is gegeven “tot een licht voor de heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lk. 2:32). De volken worden dus niet in plaats van Israël gezegend, maar samen met Israël.
De stelling dat het Evangelie geen speciale status toekent aan volken miskent dat de Schrift zelf een onderscheid maakt tussen Gods universele liefde en zijn verbondsmatige trouw. Dat onderscheid is geen vorm van etnische voorkeur, maar een uitdrukking van Gods eigen heilsweg. Israël wordt niet verheven boven andere volken, maar het blijft wel het volk waarmee God een unieke relatie heeft die Hij zelf heeft ingesteld en die Hij niet verbreekt. De Kerk wordt uit de volken toegevoegd aan deze weg, maar neemt haar niet over.
Vanuit dit geheel van bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar:
dat de geestelijke status van Israël niet identiek is aan die van andere volken, niet omdat Israël beter zou zijn, maar omdat God zelf heeft beloofd zijn verbond met dit volk niet te verbreken. De universaliteit van het evangelie wordt niet bedreigd door Israëls bijzondere roeping, maar juist gedragen door de trouw van God die zijn beloften niet loslaat.