10. Het Evangelie kent geen speciale status toe aan rassen of volken; de scheidingsmuur is afgebroken.
Citaat: “Het Evangelie schenkt geen speciale status aan rassen, volken of naties.”
Stelling 10 stelt dat het aandringen op een uitzonderlijke positie van Israël misleidend is, omdat het zou suggereren dat Christus’ redding afhankelijk is van bijzondere verwachtingen voor Israël.
Vanuit het perspectief dat Gods verbond met Israël blijvend is, overtuigt deze redenering niet.
De Schrift zelf verbindt de universele redding in Christus juist met Gods trouw aan Israël. Paulus schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). Dat is geen marginale opmerking, maar een kernachtige samenvatting van hoe het evangelie zich verhoudt tot Israël: Christus bevestigt de beloften die God aan Israël heeft gedaan, Hij maakt ze niet overbodig.
De gedachte dat een bijzondere rol voor Israël de universaliteit van het evangelie zou ondermijnen, wordt door Paulus zelf tegengesproken. Hij benadrukt dat “er geen onderscheid is tussen Jood en Griek” in de toegang tot het heil (Rom. 10:12), maar hij zegt tegelijk dat Israël een unieke plaats heeft in Gods heilsplan. Hij spreekt over Israël als het volk “aan wie de verbonden, de beloften en de eredienst toebehoren” (Rom. 9:4) en waarschuwt de heidenen: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18). Deze woorden laten zien dat Israëls bijzondere positie niet in strijd is met de universaliteit van Christus’ werk, maar er juist een onderdeel van vormt.
Ook Jezus zelf erkent een bijzondere rol voor Israël, zonder dat dit afbreuk doet aan zijn universele missie. Hij zegt tegen de Samaritaanse vrouw: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen etnische claim, maar een theologische: Gods weg naar de wereld loopt via Israël. De universaliteit van Christus’ redding wordt dus niet bedreigd door Israëls bijzondere roeping, maar juist gedragen door de weg die God met dit volk is gegaan. Simeon noemt Jezus daarom zowel “een licht voor de heidenen” als “tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lk. 2:32). Beide dimensies horen bij elkaar en kunnen niet tegen elkaar worden uitgespeeld.
De stelling dat een bijzondere positie voor Israël zou leiden tot een verschuiving van Christus naar Israël miskent bovendien dat het Nieuwe Testament zelf een blijvende verwachting voor Israël schetst. Paulus spreekt over een toekomst waarin “heel Israël zal worden gered” (Rom. 11:26), en hij verbindt deze verwachting niet met een etnisch privilege, maar met Gods eigen trouw: “De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk” (Rom. 11:29). Deze woorden laten zien dat Israëls toekomst niet een menselijke projectie is, maar een goddelijke belofte. De universaliteit van het evangelie wordt niet bedreigd door deze verwachting, maar juist verdiept: Gods trouw aan Israël is een teken van zijn trouw aan de wereld.
Vanuit dit geheel van Bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar
dat een blijvende rol voor Israël niet leidt tot een ondermijning van Christus’ centrale positie, maar juist tot een dieper verstaan van Gods trouw. Christus is de vervulling van Gods beloften aan Israël, niet hun ontkenning. De universaliteit van het evangelie staat niet tegenover Israëls bijzondere roeping, maar is ermee verweven.
Geheel mee eens