De beschuldiging van afgoderij raakt het hart van de christelijke belijdenis: de aanbidding van Jezus als Zoon van God. Vanuit joods perspectief, en zeker in het licht van Rambans scherpe formulering dat elke aanbidding van een geschapen wezen afgoderij is, klinkt de vraag onontkoombaar: hoe kan een christelijke theoloog verantwoorden dat de verering van Christus niet neerkomt op het vereren van een schepsel naast God? De antwoorden van Augustinus, Calvijn en Karl Barth bewegen zich elk op hun eigen wijze door deze spanning heen. Ze proberen niet de joodse zorg te ontkennen, maar herdefiniëren de categorieën waarin Christus wordt gedacht. Daardoor ontstaat een fascinerende dialoog tussen twee religieuze werelden die elk tegenover het heidendom (polytheïsme) de eenheid van God willen bewaren, maar dat op fundamenteel verschillende manieren doen.
Augustinus zou beginnen bij de eenheid van God als het fundament van elke ware aanbidding. Voor hem is Christus niet een tweede godheid, maar de Logos die “in principio erat apud Deum et Deus erat Verbum.” (In het begin was het Woord bij God en God was het Woord.) De Zoon is volgens hem geen geschapen wezen, maar de eeuwige zelfuitdrukking van de Vader. Daarom is aanbidding van Christus geen aanbidding van iets buiten God, maar een deelname aan Gods eigen zelfkennis. Augustinus zou zeggen dat afgoderij begint waar men iets geschapens tot object van aanbidding maakt, maar dat Christus niet geschapen is in zijn goddelijke natuur. De menswording verandert daar niets aan: de vleeswording is een vrijwillige vernedering van de eeuwige Logos, niet het ontstaan van een nieuw wezen dat aanbidding verdient. Voor Augustinus is de aanbidding van Christus dus strikt monotheïstisch, omdat de Zoon volledig deelt in de ene goddelijke essentie.
Calvijn zou de vraag anders benaderen, meer vanuit de economie van Gods handelen. In zijn Institutie benadrukt hij dat God zich alleen laat kennen in Christus. De Zoon is het “beeld van de onzichtbare God”, niet als een afgeleid object van verering, maar als de wijze waarop de ene God zich openbaart. Calvijn is streng in zijn afwijzing van elke vorm van afgoderij, en juist daarom is zijn christologie zo hoog:
Als Christus niet werkelijk God is, dan zou elke aanbidding van hem inderdaad afgoderij zijn.
Maar omdat Christus volgens Calvijn “van eeuwigheid uit de Vader is voortgekomen”, is er geen sprake van een geschapen middelaar. De aanbidding van Christus is voor Calvijn niet een tweede aanbidding naast die van de Vader, maar de enige manier waarop de mens de Vader kan aanbidden. De Zoon is geen tussenwezen, maar de openbaring van de ene God zelf.
Karl Barth zou de beschuldiging van afgoderij nog radicaler omkeren. Voor hem is afgoderij juist het menselijke verlangen om God te benaderen buiten Christus om. In zijn Kirchliche Dogmatik stelt hij dat God alleen in Christus spreekt, handelt en gekend wordt.
Christus is niet een goddelijk wezen naast God, maar de zelfopenbaring van God in zijn vrijheid.
Barth zou zeggen dat de vraag of Christus een geschapen wezen is, verkeerd gesteld is: Christus is het Woord dat vlees werd, en dat Woord is God zelf in zijn beweging naar de mens. De mens die Christus aanbidt, aanbidt niet een schepsel, maar de God die zichzelf in een menselijke gestalte heeft geopenbaard. Voor Barth is de incarnatie geen metafysische constructie, maar een daad van goddelijke soevereiniteit. Afgoderij ontstaat juist wanneer men God zoekt in abstracties, ideeën of metafysische speculaties in plaats van in de concrete Jezus van Nazareth.
Wanneer je deze drie stemmen naast elkaar zet, ontstaat een intrigerend beeld. Augustinus verdedigt de godheid van Christus vanuit de eeuwige trinitaire relaties. Calvijn verdedigt haar vanuit de noodzaak van ware aanbidding en openbaring. Barth verdedigt haar vanuit Gods vrijheid om zichzelf te openbaren. Alle drie ontkennen dat Christus een geschapen wezen is in zijn goddelijke identiteit, en daarmee ontkennen ze dat de aanbidding van Christus afgoderij zou kunnen zijn. Maar ze doen dat elk op een andere manier, en juist die verschillen maken de vergelijking vruchtbaar.
| Theoloog | Kern van het antwoord | Relatie tot beschuldiging van afgoderij | Theologische inzet |
|---|---|---|---|
Augustinus |
Christus is de eeuwige Logos, één in wezen met de Vader |
Aanbidding van Christus is aanbidding van God zelf, niet van een schepsel |
Bewaren van de goddelijke eenheid via metafysische triniteit |
Calvijn |
Christus is de enige openbaring van God en van eeuwigheid uit de Vader |
Afgoderij zou het aanbidden van Christus zijn als hij geschapen was, maar dat is hij niet |
Openbaring en aanbidding zijn alleen mogelijk via de ware Godheid van Christus |
Barth |
Christus is Gods vrije zelfopenbaring; God is alleen in Christus kenbaar |
Afgoderij is juist het zoeken van God buiten Christus om |
Goddelijke vrijheid en openbaring als fundament van christologie |
Wat deze drie theologen gemeenschappelijk hebben, is dat ze de beschuldiging van afgoderij zien als een serieuze vraag die het hart van de christelijke belijdenis raakt. Ze erkennen dat als Christus een geschapen wezen zou zijn, de aanbidding van hem inderdaad afgoderij zou zijn. Daarom is hun christologie zo hoog, zo radicaal, zo exclusief: alleen door Christus volledig te identificeren met de ene God kan de christelijke aanbidding monotheïstisch blijven. De vraag blijft dan wel, wat er overblijft van de menselijkheid van Jezus van Nazareth, die in de christelijke dogmatiek ook bevestigd wordt.
Zou het kunnen dat de bevestiging van de godheid van Christus ertoe leidt dat wel op marginale wijze de menselijkheid van Jezus wordt bevestigd, maar het joods-zijn van Jezus daardoor volledig buiten het gezichtsveld komt te staan?
Vanuit Joods perspectief blijft de vraag natuurlijk bestaan of deze identificatie overtuigend is, of dat zij juist de eenheid van God onder druk zet. En daarnaast is het ook de vraag waarom het christendom met deze vergoddelijking van de jood Jezus van Nazareth niet beoogde om een superioriteit tegenover het jodendom tot principe te maken. De vervluchtiging van de aardse context van Jezus’ leer, en het inherente antisemitisme waartoe het geleid heeft, maken de kwestie nog moeilijker. Maar wat deze drie stemmen laten zien, is dat de christelijke traditie zich wel bewust is van die spanning en deze niet probeert te omzeilen. Ze probeert haar theologisch te doordenken, telkens opnieuw, in de hoop dat de aanbidding van Christus geen verering van een ander wezen is, maar een ontmoeting met de Ene die zich in hem laat kennen.
Voor mij is het antwoord wel duidelijk: hoewel het dogma van de triniteit historisch noodzakelijk was om het christendom tegenover de heidense religies een zelfstandige status te geven, heeft zij tegelijkertijd het schisma met het jodendom aangescherpt. Een 21e-eeuwse christelijke theologie zou er terwille van de morele helderheid misschien toe moeten brengen de vergoddelijking van Jezus van Nazareth definitief te beëindigen – iets dat naar mijn gevoel in het geloofsleven van een groot aantal christenen al lang gebeurd is.