In Israël liggen rouw en vreugde niet tegenover elkaar, maar raken ze elkaar in een beweging die bijna liturgisch is. Dat wordt nergens zo duidelijk als in de overgang van Jom HaZikaron naar Jom Ha’atsmaoet.
Op de eerste dag staat het land stil. De sirene klinkt, en voor een paar minuten lijkt het alsof de tijd zelf ophoudt met ademen. Mensen stappen uit hun auto’s, blijven staan op de snelweg, en er ontstaat een stilte die niet leeg is maar gevuld met herinnering. Het is een moment waarin een volk zijn doden draagt, niet als een last maar als een deel van zichzelf.
En dan, nog voordat de stilte helemaal is weggezakt, verandert de toon. De avond valt, en met de avond begint Jom Ha’atsmaoet. De vlaggen blijven hangen, maar de gezichten draaien zich om. De straten vullen zich met muziek, kinderen zwaaien met vlaggetjes, families zoeken elkaar op voor de traditionele barbecue. Het verdriet is niet verdwenen; het is opgenomen in een vreugde die weet wat het kost om vrij te zijn. De overgang is abrupt, maar niet onnatuurlijk. Het is alsof het land zegt: wij rouwen omdat wij liefhebben, en wij vieren omdat wij leven.
Voor wie van buiten komt, kan die beweging verwarrend zijn. Hoe kun je ’s middags nog bij een graf staan en ’s avonds dansen op straat. Maar misschien is dat precies de wijsheid van deze dagen: dat rouw en vreugde geen tegenpolen zijn, maar twee manieren waarop een volk zijn geschiedenis draagt. Dat hoop niet begint wanneer de wonden genezen zijn, maar juist in het besef van kwetsbaarheid. Dat een volk dat zoveel heeft verloren, toch kiest voor toekomst.
Voor christenen zijn deze dagen geen eigen feestdagen, maar ze raken wel aan iets dat diep in de christelijke traditie resoneert. Het christelijk geloof is geworteld in het Joodse verhaal; het Nieuwe Testament ademt de geschiedenis, de hoop en de pijn van Israël. Jom HaZikaron en Jom Ha’atsmaoet herinneren christenen eraan dat het Joodse volk geen abstract begrip is, maar een concreet volk met een geschiedenis die nog steeds voortgaat. Het zijn dagen die laten zien dat het verhaal van Israël niet is opgehouden bij de laatste bladzijde van het Nieuwe Testament.
Er is ook een herkenning in de beweging zelf. Christenen kennen het ritme van rouw naar vreugde, van Goede Vrijdag naar Pasen, van kruis naar opstanding. De overgang van Jom HaZikaron naar Jom Ha’atsmaoet is geen spiegel daarvan, maar het raakt wel aan dezelfde menselijke ervaring: dat vreugde pas echt wordt wanneer zij door de diepte heen is gegaan, en dat hoop niet goedkoop is.
Tegelijkertijd nodigen deze dagen christenen uit tot een vorm van bescheidenheid. De geschiedenis van het Joodse volk is niet los te zien van eeuwen van christelijke vervolging en misverstaan. Jom HaZikaron maakt zichtbaar hoe kwetsbaar dit volk is geweest; Jom Ha’atsmaoet laat zien hoe kostbaar het is dat het opnieuw een thuis heeft. Voor christenen kan het een oefening zijn om niet over Israël te spreken, maar naast Israël te staan, zonder te claimen, zonder te projecteren, maar eenvoudig aanwezig te zijn in respect en aandacht.
Misschien is dat wel wat deze twee dagen uiteindelijk laten zien: dat een volk dat zijn doden niet vergeet, toch kiest voor leven. Dat rouw niet het einde is van het verhaal, maar een deel ervan. En dat vreugde niet naïef hoeft te zijn om echt te zijn. Voor christenen is dat geen politieke les en geen theologisch schema, maar een herinnering dat God niet alleen werkt in de hoogtepunten van de geschiedenis, maar ook in de breuklijnen. Dat hoop soms begint op de plek waar rouw en vreugde elkaar raken.
GEBED OM DE ZEGEN VOOR ISRAEL
Onze Vader in de hemel, Schepper van Israël en zijn Verlosser, zegen de staat Israël, de eersteling van onze verlossing. Geef het een tuin met de takken van Uw barmhartigheid, spreid het uit met het bladerdak van Uw vrede, zend Uw licht en Uw waarheid over zijn leiders, zijn dienaren en zijn raadgevers, en steun hen met goede raad vanuit Uw aanwezigheid. Versterk de handen van de verdedigers van ons heilige land, en onze God zal hun verlossing schenken en hen kronen met een overwinningskroon, en vrede geven aan het land en eeuwige vreugde aan zijn inwoners.
En onze broeders, het hele huis van Israël, zullen wij bevelen in alle landen waarheen zij verstrooid zijn, en hen spoedig terugbrengen naar uw stad Sion en naar Jeruzalem, de woonplaats van uw naam, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, uw dienaar: ‘Als uw ballingen zich in de uithoeken van de hemel bevinden, dan zal de HEER, uw God, u daarvandaan verzamelen en van daaruit tot zich nemen. En de HEER, uw God, zal u binnenbrengen in het land dat Hij in bezit zal nemen.’ Uw vaderen hebben het geërfd, en Hij zal u goeddoen en u meer doen toenemen dan uw vaderen. (En de HEER, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht tot u wenden, zodat u de HEER, uw God, zult liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel, tot uw leven.)” (Deuteronomium 30:4-6).
En verenig onze harten om uw naam lief te hebben en te vrezen, en om alle woorden van uw wet te bewaren. En zend ons uw rechtvaardige Zoon, de Messias, om hen te verlossen die wachten op het einde van uw verlossing. De glorie van de majesteit van uw macht zal heersen over alle inwoners van de woestijn van uw land, en ieder die adem heeft, zal zeggen: “De HEER, de God van Israël, is koning, en zijn koninkrijk strekt zich uit over alle koninkrijken.” Amen.