Ga in vrede zoals Naäman

Vanmiddag bleef ik lang in de kerk zitten nadat iedereen weg was. De banken stonden er stil bij, alsof ze wisten dat ik niet alleen zat te wachten, maar ook wilde luisteren. Ik had mijn Bijbel open bij het verhaal van Naäman. Ik weet niet waarom ik er steeds naar terugkeer, maar het is alsof zijn stem mijn stem is, alsof zijn vraag mijn vraag is. En dan hoop ik dat het antwoord dat hij kreeg ook een antwoord voor mij is.

Naäman wist dat hij genezen was door de God van Israël. Hij wist dat zijn hart voortaan aan die God toebehoorde. Maar zijn leven stond in Syrië, zijn religie was in het huis van Rimmon, in een wereld die hij niet zomaar kon verlaten. En daarom vroeg hij aan de profeet: “Wanneer ik moet buigen in het huis van Rimmon, moge de HEER mij dat vergeven.” En Elisa zei: “Ga in vrede.”

Ik lees die woorden steeds opnieuw en ik voel een steek van herkenning. Want ik leef ook in twee werelden. Mijn hart is steeds meer thuisgekomen bij de God van Israël, bij de eenvoud van de Thora, bij de wijsheid van de rabbijnen, bij de diepe eerbied voor het leven die ik daar vind. Soms denk ik dat mijn ziel daar altijd al thuishoorde, dat ik iets herken wat ouder is dan mijn eigen herinneringen. Maar mijn lichaam staat in de kerk, in de liturgie, in de woorden die ik soms nog moet uitspreken terwijl ik ze niet meer volledig kan dragen.

Ik voel me als Naäman: genezen door een God die ik heb leren kennen, sta ik in de wereld waarin ik nu leef – en niet in de wereld die mijn genezing voor me heeft geopend. Ik sta ergens anders, bijna elke zondag, maar wel tussen mensen die ik liefheb, mensen die mij zijn toevertrouwd. Ik kan hen niet zomaar verlaten. Ik wil hen niet verlaten. Ik voel een verantwoordelijkheid, een roeping zelfs, om hen te dienen, te begeleiden, te helpen om dichter bij de waarheid te komen die ik zelf heb ontdekt.

Maar soms voelt het alsof ik buig voor een andere God in het huis van Rimmon. Niet met mijn hart, maar met mijn lichaam. Niet uit overtuiging, maar uit liefde voor de gemeente. En dan vraag ik mij af: mag dit? Is dit trouw of verraad? Is dit roeping of zelfbedrog?

Vanmiddag heb ik geprobeerd het onder woorden te brengen voor mijn Joodse vrienden, voor mijn lerares Hebreeuws, voor mijn leraar Talmoed, al was het alleen maar in mijn gedachten. Ik zou willen zeggen: ik ben als Naäman. Ik ben genezen door jullie God — die ook mijn God is. Ik heb iets gevonden wat mij heeft veranderd, iets wat mij heeft teruggeroepen naar een oorsprong die ik niet kan bewijzen, maar wel kan voelen.



Wat ik heb, is het gerucht in mijn familiegeschiedenis: dat de moeder van mijn moeder twee joodse ouders had, die zich in Duitsland bekeerden tot het katholicisme. Maar dat is niet genoeg om mijn identiteit te kunnen bevestigen en voor de formele overgang tot het jodendom is het inmiddels te laat. Ik leef in een wereld waar ik niet zomaar uit kan stappen.

Ik vraag mij ook af of dat nodig is. Ik heb mensen die mij nodig hebben. Ik heb een gemeenschap die ik liefheb. En soms moet ik meebewegen met vormen die ik niet meer kan geloven, en woorden spreken die hun waarheid voor mij hebben verloren, en ik doe dat niet omdat ik ze geloof of deze Rimmon aanbid, maar omdat ik deze mensen wil dienen.

Ik vraag niet om toestemming om voor Rimmon te buigen. Voor mij is het zelfs eenvoudiger dan voor Naäman. De God wiens Naam wordt aangeroepen in de kerk is immers de God van Israël – al dreigt de kerk dat definitief te vergeten. Zo leer ik nu Jezus zien, als de zoon van Israël die tot het uiterste ging om Zijn volk te bevrijden, een groot risico nam, en moest erkennen dat Zijn poging God tot interventie te bewegen was mislukt: “Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”

Ik spreek de woorden die de God van Israël tot Zijn volk heeft gesproken, en vertaal deze, leg ze op de harten van de mensen in de kerk zoals ze op mijn hart gelegd zijn. Ik ben niemand iets verschuldigd, behalve mijn Heer en mijn God. Ik vraag alleen om begrip voor het feit dat mijn leven door twee families wordt bepaald. Mijn hart buigt voor de God van Israël. Hem wil ik dienen in de context van Zijn volk. “Uw God is mijn God, en uw volk is mijn volk” – zeg ik Ruth na. Maar mijn voeten staan in de kerk. En ik hoop dat mijn aanwezigheid daar — mijn woorden, mijn liefde, mijn trouw — iets van de waarheid kan laten oplichten die ik zelf heb ontvangen.

Misschien is dat wat Elisa bedoelde met “Ga in vrede.” Niet dat alles eenvoudig is, maar dat God groter is dan onze gebroken wegen. Dat Hij weet waar ons hart is, zelfs wanneer onze voeten ergens anders staan.

Ik sluit mijn Bijbel. De kerk is leeg. Maar iemand fluistert: Ik weet wie je bent. Ik weet waar je thuishoort. Ga in vrede.

 

Dit bericht is geplaatst in Autobiografisch. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *