Faustus zei:
Je vraagt waarom we Mozes niet geloven, terwijl Christus zegt: “Mozes heeft over mij geschreven; en als je Mozes geloofde, zou je ook mij geloven.” Ik zou blij zijn als niet alleen Mozes, maar alle profeten, Joden en heidenen, over Christus hadden geschreven. Het zou geen belemmering zijn, maar een hulp voor ons geloof, als we getuigenissen uit alle hoeken konden verzamelen die het eens zijn met onze God. Je zou de profetieën over Christus kunnen halen uit het bijgeloof dat we nog steeds evenzeer moeten haten.
Ik ben heel bereid om te geloven dat Mozes, hoewel hij zo tegengesteld was aan Christus, toch over Hem lijkt te hebben geschreven. Niemand zou niet graag een bloem in elke doorn vinden, en voedsel in elke plant, en honing in elk insect, hoewel we ons niet zouden voeden met insecten of gras, noch doornen als een kroon zouden dragen. Niemand zou niet willen dat er in elke diepte parels te vinden waren, en edelstenen in elk land, en fruit aan elke boom. We kunnen vis uit de zee eten zonder het water te drinken. We kunnen het nuttige nemen en het schadelijke verwerpen. En waarom zouden we de profetieën van Christus niet kunnen nemen uit een religie waarvan we de rituelen als nutteloos veroordelen?
Dit hoeft ons niet bloot te stellen aan de slavernij van de dwalingen, want we haatten de onreine geesten niet minder omdat ze openlijk en duidelijk beleden dat Jezus de Zoon van God was. Als er een soortgelijk getuigenis te vinden is in Mozes, zal ik dat aanvaarden. Maar ik zal mij daarom niet onderwerpen aan zijn wet, die naar mijn mening puur heidendom is. Er is geen enkele reden om te denken dat ik bezwaren zou kunnen hebben tegen het ontvangen van profetieën van Christus van elke geest.
Deze passage uit Contra Faustum XVI.1 vormt een van de meest subtiele confrontaties tussen Augustinus en de Manicheeër Faustus. Waar Faustus elders door Augustinus wordt neergezet als een oppervlakkige redenaar, toont hij hier een opmerkelijke helderheid en eerlijkheid. Zijn argument is niet dat Mozes waardeloos is, of dat de Joodse Schrift verworpen moet worden, maar dat men onderscheid moet maken tussen het ontvangen van profetie en het omarmen van een religieus systeem. Faustus is bereid om profetieën over Christus te aanvaarden waar hij ze aantreft — zelfs in de Thora — maar hij weigert om die profetieën te gebruiken als legitimatie voor een hermeneutiek die de hele Joodse wet tot voorafschaduwing van Christus maakt.
Faustus’ metafoor is scherp en elegant. Niemand zou niet graag een bloem in elke doorn vinden, of honing in elk insect. Als er in de Joodse Schrift iets waardevols over Christus te vinden is, wil hij dat graag aannemen. Maar dat betekent niet dat hij de doorn als bloem moet behandelen, of het insect als voedsel. De Thora kan volgens hem best elementen bevatten die naar Christus verwijzen, maar dat maakt de Thora nog niet tot een christologisch systeem. Faustus’ hermeneutiek is dus niet anti‑Joods, maar anti‑typologisch: hij weigert om een tekst te lezen alsof zij iets zegt wat zij niet zegt.
Augustinus’ antwoord is bekend en consistent met zijn bredere theologie. De Schrift is volgens hem één geheel, en haar betekenis is christologisch. De Joden bewaren de tekst, maar begrijpen haar niet. De Kerk leest de tekst met Christus als sleutel, en daarom ziet zij wat Mozes werkelijk bedoelde. Faustus’ selectieve hermeneutiek is volgens Augustinus onmogelijk: men kan niet de profetieën aannemen en de wet verwerpen, want de wet zelf is een voorafschaduwing van Christus. De typologie is voor Augustinus geen interpretatieve keuze, maar een ontologische structuur van de Schrift.
Maar juist hier wordt Faustus’ argument verrassend sterk. Want als de Schrift werkelijk zo door en door christologisch is, waarom is dat dan niet zichtbaar voor wie haar leest zonder christelijke bril? Waarom moet men eerst Christus aannemen om te zien dat Mozes over Christus sprak? Faustus’ vraag is niet polemisch, maar epistemologisch: hoe kan een tekst die zo fundamenteel christologisch is, zo weinig christologisch lijken? Zijn vergelijking met de demonen die Jezus als Zoon van God erkennen, is scherp: als zelfs onreine geesten de waarheid kunnen spreken, waarom zou Mozes dat niet kunnen? Maar dat betekent op zich nog niet dat men zich aan de demonen moet onderwerpen.
Wanneer men Faustus’ argument naast de rabbijnse hermeneutiek legt, ontstaat een onverwachte resonantie. De rabbijnen zouden Faustus niet volgen in zijn religieuze Manicheïstische conclusies, maar zij zouden zijn intuïtie delen dat een tekst niet zomaar kan worden omgebogen tot een betekenis die zij niet draagt. De rabbijnse traditie kent geen hermeneutische sluier die door Christus wordt weggenomen. De Thora is geen gesloten boek dat wacht op een Messias om betekenis te krijgen, maar een levende tekst die zichzelf ontsluit door studie, debat en traditie. De rabbijnen zouden Augustinus’ claim dat de Schrift slechts één ware betekenis heeft — en dat die betekenis christologisch is — beschouwen als een reductie van de rijkdom van de openbaring.
Een rabbijnse polemische tegenstem zou Augustinus’ hermeneutiek op twee fronten aanvallen. Ten eerste op het niveau van de tekst: de Thora spreekt niet over Christus, en de typologische lezing is een vorm van hermeneutische kolonisatie. De ark van Noach verwijst niet naar Christus, maar naar oordeel en redding; de deur in haar zijde is geen sacramentele opening, maar een bouwkundig detail. De offers verwijzen niet naar een toekomstige verlosser, maar naar de relatie tussen Israël en God. De rabbijn zou zeggen dat Augustinus de tekst niet leest, maar herschrijft.
Ten tweede op het niveau van de autoriteit: de Thora is aan Israël gegeven, niet aan de Kerk. De Kerk kan de tekst lezen, maar niet claimen dat zij haar beter begrijpt dan het volk dat haar draagt. De rabbijn zou Augustinus herinneren aan de woorden van de profeten, die Israël niet tot getuige van een ander volk maken, maar tot getuige van God. De Joden zijn geen bewaarders van een tekst die zij niet begrijpen; zij zijn de gemeenschap die de tekst tot leven brengt.
In deze polemische reconstructie zou de rabbijn Faustus op één punt gelijk geven: men kan niet zomaar aannemen dat Mozes over Christus sprak. Maar hij zou Faustus op een ander punt corrigeren: de Thora is geen doorn met een bloem erin, maar een boom van leven. Faustus’ uitspraak dat de wet van Mozes eigenlijk een soort heidendom is, is in dit verband opmerkelijk. Maar hij insisteert in zijn afwijzing van de christologische en allegorische interpretatie die Augustinus voorlegt. De waarde van de Thora ligt niet in haar vermeende profetieën over Christus, maar in haar eigen openbaring. De rabbijn zou daarom Augustinus én Faustus uitnodigen om de Thora te lezen zoals zij gelezen wil worden: niet als een voorafschaduwing van iets anders, maar als een bron van wijsheid op zichzelf.
De confrontatie tussen Faustus, Augustinus en de rabbijnse traditie onthult uiteindelijk drie hermeneutische werelden. Faustus benadrukt profetie zonder wet; Augustinus wil wet als profetie; de rabbijn wil wet als openbaring. Faustus weigert om de Thora te lezen als christologische typologie; Augustinus weigert om haar anders te lezen; de rabbijn weigert om de Thora te laten koloniseren door een betekenis die haar vreemd is. In deze drie stemmen horen we niet slechts een oud debat, maar een blijvende vraag: wie mag de Schrift uitleggen, en op grond waarvan?