Emmanuel Levinas: over het Christendom

De visie van Emmanuel Levinas op het christendom vormt een subtiel spanningsveld tussen waardering, dankbaarheid en scherpe kritiek. Hij beschouwt het christendom niet als een vergissing, maar evenmin als een voltooiing van het jodendom. Zijn denken wordt bepaald door de invloed van Franz Rosenzweig, door de historische schok van de Holocaust en door zijn overtuiging dat het goddelijke uitsluitend verschijnt in de ethische verantwoordelijkheid voor de ander.

Vanuit die drie bronnen ontwikkelt hij een complexe houding: filosofisch respect voor de christelijke traditie, diepe persoonlijke dankbaarheid jegens individuele christenen die tijdens de oorlog levens redden, maar ook een principiële afwijzing van bepaalde christelijke dogma’s en politieke structuren.

Uitgangspunt: de filosofie van Rosenzweig

Rosenzweig vormt voor Levinas het vertrekpunt om de verhouding tussen jodendom en christendom te begrijpen. In Der Stern der Erlösung beschrijft Rosenzweig twee vormen van openbaring die naast elkaar bestaan: het jodendom als “eeuwig leven” en het christendom als “eeuwige weg”. Het jodendom leeft al in de nabijheid van God, buiten de kringloop van politieke geschiedenis, terwijl het christendom door de tijd trekt om de volkeren te onderwijzen en te bekeren.

Levinas neemt deze tweevoudige structuur over, maar benadrukt dat beide wegen strikt gescheiden moeten blijven. Voor hem mag dialoog nooit uitlopen op syncretisme. De Jood moet Jood blijven, ook in christelijke ogen, en het christendom moet zijn eigen weg gaan zonder het jodendom te reduceren tot voorstadium of onvoltooide waarheid. De integriteit van beide tradities staat of valt met het respecteren van deze scheiding.

De betekenis en de gevolgen van de Shoah

De Shoah vormt vervolgens een breekpunt in Levinas’ beoordeling van het christendom als historische kracht. Dat de vernietiging van zes miljoen Joden plaatsvond in een Europa dat vijftien eeuwen lang was gekerstend, is voor hem een theologische schok. Het ondermijnt volgens hem de geloofwaardigheid van een metafysica die de nadruk legt op bovennatuurlijke verlossing terwijl zij de rechtvaardigheid in deze wereld onvoldoende waarborgt.

Het christendom heeft volgens Levinas te vaak de politieke sfeer aan zichzelf overgelaten, alsof het heil elders lag dan in de concrete verantwoordelijkheid voor de kwetsbare mens. Toch is zijn oordeel niet louter veroordelend. Hij spreekt met grote dankbaarheid over de geestelijken en religieuzen die Joden verborgen en beschermden. De overleving van zijn eigen vrouw en dochter dankt hij aan de nuns van de Zusters van Sint-Vincentius a Paulo. In deze individuele daden van barmhartigheid ziet hij een menselijkheid die hij nooit vergeet, zelfs wanneer hij de christelijke beschaving als geheel kritisch benadert.

Theologische verschillen: handelen tegenover mysterie

Op theologisch vlak tekent Levinas scherpe verschillen tussen jodendom en christendom. Waar het christendom volgens hem sterk leunt op geloof, mysterie en sacrament, staat het jodendom in het teken van handelen. Niet het innerlijke geloofsgevoel, maar het doen van gerechtigheid vormt de kern van religieuze waarheid. Hij illustreert dit met het verhaal van een leerling die zijn rabbi vertelt dat hij zijn geloof heeft verloren, waarop de rabbi antwoordt: “Wie vraagt erom? Goed doen ís geloven.” In deze anekdote vindt Levinas de essentie van de joodse religiositeit: het goddelijke openbaart zich niet in mystieke eenwording, maar in de concrete verantwoordelijkheid voor de ander.

Tegen de incarnatie

Daaruit volgt zijn afwijzing van de incarnatie. Voor een Jood, zegt Levinas, is de gedachte dat God mens wordt “noch mogelijk, noch noodzakelijk”. God verschijnt niet in een mens-god die kan worden vereerd, maar uitsluitend in de gelaatservaring van de ander. De transcendentie van God wordt zichtbaar in de kwetsbaarheid van de naaste, niet in een historische figuur die goddelijke status krijgt.

Evenzeer verwerpt hij de christelijke leer van de erfzonde. De menselijke passiviteit en kwetsbaarheid zijn voor hem geen schuldtoestand, maar de oorspronkelijke goedheid van de schepping: de mens is vanaf het begin geroepen tot verantwoordelijkheid, niet belast met een erfelijke fout.

Zijn gebruik van termen als “substitutie” en “expiatie” lijkt soms op christelijke taal, maar Levinas geeft er een geheel andere betekenis aan. In het christendom draagt Christus de zonden van de wereld “eens en voor altijd”. Bij Levinas is substitutie geen unieke daad van een goddelijke middelaar, maar de structuur van het subject zelf. De mens is een “gijzelaar” van de ander, verantwoordelijk zelfs voor wat hij niet heeft veroorzaakt. Deze verantwoordelijkheid is oneindig en niet overdraagbaar. Niemand kan haar namens mij vervullen. Daarmee verplaatst Levinas het drama van verzoening van het hemelse naar het intermenselijke vlak.

Staat van David tegenover Staat van God

Ook op politiek terrein ziet hij een fundamenteel verschil tussen jodendom en christendom. De christelijke scheiding tussen de “Staat van Caesar” en de “Stad van God” acht hij gevaarlijk, omdat zij de politieke sfeer vrijlaat om te opereren zonder ethische correctie. Wanneer de staat niet onderworpen is aan een profetische eis tot gerechtigheid, kan macht ontsporen. Het joodse ideaal van de “Staat van David” biedt volgens hem een alternatief: een politiek die voortdurend wordt getoetst aan de morele roep van de vreemdeling, de weduwe en de wees. Macht staat daar nooit op zichzelf, maar blijft onderworpen aan een transcendente wet.

Tenach is geen “oude testament”

Ten slotte verzet Levinas zich fel tegen de christelijke neiging om het Oude Testament te lezen als vooraankondiging van het Nieuwe. Hij wijst de eeuwenoude beelden af waarin het jodendom wordt voorgesteld als fossiel, blinddoek of onvoltooide waarheid. Voor hem heeft het jodendom een autonome spirituele waarde, die niet afhankelijk is van christelijke vervulling. De betekenis van de joodse traditie ontvouwt zich in de Talmud, in haar eigen ritme van interpretatie en debat, niet in een christelijke lezing die haar reduceert tot voorbereiding op het evangelie.

Slotsom: het ethisch tekort van het Christendom

In deze samenhang ontstaat een beeld van Levinas dat zowel kritisch als open is. Hij erkent de kracht van het christendom als drager van monotheïsme en als bron van individuele heiligheid, maar hij confronteert het ook met zijn tekortschieten in ethische verantwoordelijkheid.

Waar het christendom volgens hem te veel vertrouwt op geloof, mysterie en verlossing, plaatst Levinas de mens tegenover de ander als de enige plaats waar het goddelijke werkelijk verschijnt. Zo ontstaat geen verzoening tussen de twee religies, maar wel een gedeelde horizon: de vraag hoe de mens recht kan doen aan de ander, en hoe in die verantwoordelijkheid de stem van God hoorbaar wordt.


 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *