Elohim zult gij niet vervloeken – Sefer Hachinuch 69 en 71

Voor christelijke lezers is deze Joodse discussie over het vervloeken van rechters en leiders verrassend relevant. In het Nieuwe Testament klinkt immers een soortgelijke oproep tot respect voor gezag en rechtspraak, zoals Paulus schrijft dat “alle gezag door God is ingesteld” en dat de overheid “Gods dienares” is om het goede te bevorderen. De Joodse traditie gaat nog verder door dit respect niet alleen als sociale plicht te zien, maar als een religieuze opdracht die de stabiliteit van de gemeenschap beschermt.

Bovendien sluit dit nauw aan bij één van de Noachidische geboden, namelijk het instellen en onderhouden van een rechtvaardige rechtsorde. Dat gebod geldt volgens de Joodse traditie voor alle mensen, niet alleen voor Israël. Daarom biedt deze passage uit de Tora — en de uitleg ervan door de Talmoed en het Sefer HaChinuch — christenen een dieper inzicht in hoe de Bijbel gezag, rechtspraak en maatschappelijke verantwoordelijkheid ziet. Het gaat niet alleen om gehoorzaamheid, maar om het voorkomen van chaos, het beschermen van gerechtigheid en het erkennen dat woorden tegen gezag uiteindelijk daden worden die de samenleving kunnen ontwrichten.

Mitzwa 69 en 71 uit de Sefer Hachinuch horen bij elkaar, omdat beide voortkomen uit hetzelfde vers in Exodus 22:27-28: אֱלֹהִים לֹא תְקַלֵּל וְנָשִׂיא בְעַמְּךָ לֹא תָאֹר — “De rechters zult gij niet vervloeken, en een vorst onder uw volk zult gij niet verwensen.” Het vers bevat twee afzonderlijke verboden, maar zij zijn zo nauw met elkaar verweven dat het Sefer HaChinuch ze als één samenhangend geheel bespreekt, namelijk als mitzwa 69, “sjelo lekalel ha-dajanim” (de rechters niet te vervloeken), en als mitzwa 71, “sjelo lekalel et ha-nasi” (de vorst niet te vervloeken). Mitzvah 70 is dan de toepassing van het vers op God Zelf.

Het woord Elohim is namelijk in dit vers dubbelzinnig, en die dubbelzinnigheid is, volgens de Chinuch, opzettelijk. Meestal duidt Elohim op God zelf, maar de Tora gebruikt hetzelfde woord ook voor de rechters van de beit din. De Chinuch verwijst zelf naar het parallelle gebruik in Exodus 22:8, waar over een geschil tussen twee partijen gezegd wordt: אֲשֶׁר יַרְשִׁיעֻן אֱלֹהִים — “degene die de rechters schuldig zullen verklaren.” Hier kan Elohim onmogelijk God zelf betekenen; het moet op de rechters slaan.

Op grond van die parallel leest de Chinuch ook in “Elohim lo tekalel” (goden zult gij niet vervloeken) primair een verbod om de dajanim (of Shofetim, rechters) te vervloeken, terwijl het woord tegelijk, vanwege zijn tweede betekenis, ook fungeert als waarschuwing tegen blasfemie — zoals de Mechilta en de Sifrei het uitdrukken: “azhara le-virkat ha-Sheem”, een waarschuwing tegen het zegenen (eufemisme voor vervloeken) van Gods Naam. Dat alles wordt uitgewerkt als Mizvah 70.

Deze samenloop van twee verboden in één woord is geen toeval maar een veel voorkomende exegetische figuur, die ook terugkeert in de sugja (passage) over het vervloeken van vader en moeder in Sanhedrin 66a. Daar redeneert de Gemara: als iemands vader toevallig een dajan was, valt de vervloeking van die vader al onder “Elohim lo tekalel”; was de vader een nasi, dan valt zij onder “ve-nasi be-amcha lo ta’or.” Was hij geen van beide, dan wordt het verbod via een binjan av — een afleiding op basis van de gemeenschappelijke eigenschap van beide gevallen, namelijk dat zij “be-amcha”, onder uw volk, staan — uitgebreid tot iedere gewone Jood. Het Sefer HaChinuch bevestigt dit in mitzwa 231 met de formulering: “אחד דיין ואחד נשיא במשמע” — “zowel de rechter als de vorst zijn hierin begrepen.” De twee mitzwot ddie hier genoemd worden, staan dus niet alleen inhoudelijk naast elkaar, maar delen ook hun grondtekst met het algemene verbod om welke Jood dan ook te vervloeken.

Leviticus 24:16 levert de bijbehorende straf: אִישׁ אִישׁ כִּי־יְקַלֵּל אֱלֹהָיו וְנָשָׂא חֶטְאוֹ וְנֹקֵב שֵׁם ה’ מוֹת יוּמָת רָגוֹם יִרְגְּמוּ־בוֹ כָּל־הָעֵדָה — “Ieder die zijn God vervloekt, zal zijn zonde dragen; en wie de Naam van de Ene lastert, zal zeker gedood worden; de gehele gemeente zal hem stenigen.” Dit vers geeft de straf, maar niet de waarschuwing. Maar kan dat wel? Die twee horen volgens de wijzen altijd samen.

Het Sefer HaChinuch citeert hierover met name Yoma 81a: לֹא עָנַשׁ אֶלָּא אִם כֵּן הִזְהִיר — “Hij (God) heeft niet gestraft, tenzij Hij eerst gewaarschuwd heeft.” Zonder een expliciet verbod zou de straf de indruk wekken van een soort transactie: wie bereid is de prijs te betalen, mag de daad begaan. Maar de Tora bedoelt geen transactie; zij wil dat de mens de overtreding zelf, als opstand tegen de wil van de Heilige, vermijdt, niet enkel de bijkomende straf.

Waarom is het vervloeken van een rechter zo ernstig? Het Sefer HaChinuch legt de wortel van mitzwa 69 uit met het oog op de rechtspraak zelf: de rechter moet zonder angst voor de gevolgen kunnen oordelen. Deze gedachte wordt in de Talmoed direct gekoppeld aan Deuteronomium 1:17: לֹא תָגוּרוּ מִפְּנֵי אִישׁ כִּי הַמִּשְׁפָּט לֵאלֹהִים הוּא — “Weest niet bevreesd voor iemand, want het oordeel is aan God.”

Sanhedrin 56a leest hierin een aansporing aan de rechter zelf: laat de vreze Gods, niet de vreze van vlees en bloed, uw oordeel bepalen, opdat u het recht niet ombuigt uit angst voor de reactie van de partij die u tegen zich in het harnas jaagt. Het verbod om de rechter te vervloeken is als het ware de keerzijde van dat gebod: zoals de rechter niemand mag vrezen bij het spreken van recht, zo mag het volk de rechter niet zodanig vrezen — of haten — dat het hem gaat vervloeken.

Voor het tweede verbod, dat van de nasi, geeft het Sefer HaChinuch in mitzwa 71 een eigen redenering. De samenleving kan niet bestaan zonder dat één iemand als hoofd wordt aangesteld om te gebieden en te regelen, en daarom schrijft de Chinuch, “מפני שדעות בני אדם חלוקין זה מזה ולא יסכימו כולם לעולם לדעה אחת” — “omdat de meningen van mensen onderling verdeeld zijn en zij het nooit allemaal eens zullen worden over één opvatting.”

Vandaar het gebod om de nasi, of hij nu regeert over het rijk of over de Tora, niet te verachten en niet te vervloeken, zelfs niet in zijn afwezigheid. De reden die de Chinuch daarvoor geeft, is  deze:  “לפי שההרגל הרע שהאדם מרגיל עצמו בינו לבין עצמו, הוא סוף מעשהו” — “want de kwade gewoonte die een mens zich eigen maakt, ook alleen bij zichzelf, wordt uiteindelijk zijn daad.” Wie zich in gedachten of in woorden gewent aan verachting van het gezag, zal die verachting uiteindelijk ook in daden omzetten. Vervloeking van de vorst is dus niet slechts een woord tegen een persoon; het is de eerste stap van een gewenning die, onbelemmerd, in opstand tegen het gezag zelf eindigt — en daarmee, zoals de Chinuch elders in dezelfde mitzwa opmerkt, in het verval van het maatschappelijk bestel dat door dat gezag juist in stand wordt gehouden.


Wanneer christenen nadenken over gezag en rechtspraak, komen zij al snel uit bij een spanning die door de hele Schrift heen loopt: gezag is tegelijk een gave en een gevaar. Het Nieuwe Testament benadrukt dat gezag niet willekeurig is, maar een instrument waardoor God recht en orde in de wereld wil bewaren. Paulus schrijft in Romeinen 13 dat “alle gezag door God is ingesteld” en dat de overheid “Gods dienares” is om het goede te bevorderen. (Dit is de klassieke interpretatie, J.H. Yoder las dit anders. Dat laat ik hier terzijde.) Dat betekent niet dat elke machthebber rechtvaardig is, maar wel dat de intentie en de structuur van gezag een goddelijke bedoeling heeft: het beschermen van het kwetsbare, het beteugelen van het kwaad, het mogelijk maken van een samenleving waarin gerechtigheid kan gedijen. (Zo redeneerde ook Yoder: dit is de bedoeling van de instelling van gezag “onder” Gods uiteindelijke oordeel.)

Juist daarom is de Joodse traditie zo verhelderend. Het verbod om rechters en leiders te vervloeken is geen archaïsch detail, maar een diepe intuïtie dat woorden tegen gezag uiteindelijk daden worden die de rechtsorde ondermijnen. De Tora ziet rechtspraak niet als een menselijke uitvinding, maar als een heilige taak die de rechter namens God uitvoert. “Het oordeel is aan God,” zegt Deuteronomium 1:17 — een zin die in de Talmoed wordt gelezen als een oproep aan de rechter om niet bang te zijn voor mensen, maar alleen voor God. Het volk wordt vervolgens opgeroepen om die rechter niet te intimideren, te verachten of te vervloeken, omdat rechtspraak alleen kan bestaan wanneer zowel rechter als volk hun plaats kennen.

Voor christenen is dit herkenbaar. Jezus zelf waarschuwt tegen het verachten van gezag, zelfs wanneer dat gezag gebrekkig is. Hij zegt over de Schriftgeleerden en Farizeeën: “Zij zitten op de stoel van Mozes; doe daarom wat zij zeggen, maar handel niet zoals zij doen.” Dat is een opmerkelijke uitspraak: het gezag van de stoel blijft, zelfs wanneer de persoon die erop zit tekortschiet. De structuur is heilig, ook wanneer de drager feilbaar is.

Daarbij komt dat de Joodse traditie dit thema verbindt met de Noachidische geboden, die volgens de rabbijnen voor alle mensen gelden. Eén van die geboden is het instellen en onderhouden van een rechtvaardige rechtsorde. Dat betekent dat rechtspraak niet alleen een Joodse plicht is, maar een universele opdracht voor de mensheid. Christenen kunnen hierin een diepe resonantie horen met hun eigen roeping om vrede, gerechtigheid en maatschappelijke stabiliteit te bevorderen. Het vervloeken van rechters en leiders is dan niet slechts een overtreding van een oud gebod, maar een aantasting van een universele morele structuur die God aan alle volken heeft gegeven.

In die zin helpt deze Joodse uitleg christenen om hun eigen traditie beter te verstaan. Gezag is niet bedoeld om te domineren, maar om te dienen. Rechtspraak is niet bedoeld om te heersen, maar om te beschermen. En woorden die het gezag ondermijnen, ondermijnen uiteindelijk de gemeenschap zelf. De Tora, de Talmoed en het Nieuwe Testament spreken hier met één stem: een samenleving kan alleen bestaan wanneer recht en gezag worden geëerd, niet omdat mensen onfeilbaar zijn, maar omdat God rechtvaardigheid wil laten wonen onder de mensen.

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *