Als Jacques Ellul vandaag zou kijken naar de opkomst van moderne AI, zou hij niet beginnen bij de vraag of AI goed of slecht is, nuttig of gevaarlijk. Hij zou beginnen bij de geest die erachter schuilgaat. Voor Ellul is techniek nooit een verzameling apparaten, maar een wereldorde: een logica die zich autonoom ontwikkelt, die haar eigen doelen schept, die de mens dwingt zich aan te passen. In die zin zou AI voor hem niet een nieuw hoofdstuk zijn, maar de voltooiing van een beweging die hij al decennia geleden beschreef.
AI belichaamt voor Ellul de overgang van techniek als middel naar techniek als milieu. Waar machines ooit buiten ons stonden, vormt AI een omgeving waarin wij denken, werken, communiceren en zelfs verlangen. Het is niet langer een instrument dat wij gebruiken, maar een systeem dat onze mogelijkheden bepaalt. Ellul zou zeggen dat AI de technische logica transparanter maakt dan ooit: de drang naar optimalisatie, naar snelheid, naar totale efficiëntie wordt nu niet alleen toegepast op productie of communicatie, maar op het menselijk denken zelf.
Wat Ellul vooral zou opvallen, is dat AI zich presenteert als bevrijding. Zij belooft ons tijd, gemak, inzicht. Maar achter die belofte schuilt een subtieler proces: de mens wordt steeds meer gevormd naar de eisen van het systeem. Niet omdat AI dat wil, maar omdat de logica van de Techniek dat vereist. De mens leert vragen te stellen die door het systeem beantwoord kunnen worden. Hij leert te denken in patronen die door het systeem herkend kunnen worden. Hij leert zichzelf te zien als een knooppunt van data. Vrijheid wordt zo niet afgeschaft, maar geherdefinieerd: zij wordt de vrijheid om optimaal te functioneren binnen een technisch kader.
Ellul zou ook zien dat AI de grens tussen beeld en woord verder vervaagt. In zijn analyse is het Woord de plaats van vrijheid, interpretatie, dialoog. Het beeld — en bij uitbreiding elke vorm van onmiddellijke, onbemiddelde informatie — behoort tot de orde van de noodzakelijkheid. AI, die werkt door patronen te herkennen in gigantische hoeveelheden data, versterkt precies die orde van het onmiddellijke. Zij geeft antwoorden die overtuigen door hun snelheid en helderheid, niet door hun waarheidsgehalte. Het risico is dat het Woord — het trage, zoekende, dialogische — wordt overstemd door een stroom van perfect geformuleerde, maar niet noodzakelijk waarachtige taal. Dit sluit nauw aan bij Elluls kritiek op de beeldcultuur.
Wat Ellul waarschijnlijk het meest zou verontrusten, is de manier waarop AI de mens psychologisch integreert in een technisch systeem. Niet door dwang, maar door gewenning. De mens raakt eraan gewend dat beslissingen worden geoptimaliseerd, dat voorkeuren worden voorspeld, dat relaties worden gemedieerd door algoritmen. Hij raakt eraan gewend dat zijn eigen oordeel minder betrouwbaar lijkt dan de berekening van een systeem dat alles ziet. In die zin zou Ellul AI niet zien als een bedreiging van buitenaf, maar als een verleiding van binnenuit: de verleiding om de verantwoordelijkheid van vrijheid in te ruilen voor de rust van noodzakelijkheid.
Toch zou Ellul niet vervallen in cultuurpessimisme. Hij zou erop wijzen dat de mens nooit volledig opgaat in het technische universum. Er blijft altijd een rest: een ruimte van vrijheid, van roeping, van antwoord. Maar die ruimte moet bewust worden bewaakt. AI maakt die taak niet onmogelijk, maar wel urgenter. Want hoe meer techniek ons denken ondersteunt, hoe moeilijker het wordt om te onderscheiden waar onze vrijheid begint.
Ellul zou daarom niet pleiten voor het afschaffen van AI, maar voor het herstellen van het Woord: het vermogen om te spreken, te luisteren, te interpreteren, te weigeren. Het vermogen om niet alleen te vragen wat mogelijk is, maar wat goed is. In die zin is de uitdaging van AI niet technisch, maar spiritueel. Zij vraagt van ons dat wij opnieuw leren mens te zijn in een wereld die steeds minder op ons wacht.
Dank voor deze intelligente toepassing van het denken van Ellul .