De verscheurdheid van de staat – Politieke theologie (2)

Het politieke denken van de wereld begint bij overwegingen over het karakter van de klassieke polis, de Griekse stadstaat. Hoe kan deze stedelijke samenleving bestaan? Zijn er niet in elke menselijke samenleving zulke grote en tegengestelde krachten, dat elke gemeenschap gedoemd is ten onder te gaan in anarchie? De Griekse polis bestaat als een harmonie van deze tegenstellingen. De polis is agressief tegenover de vijanden van de staat. Alle burgers moeten bereid zijn geweld te gebruiken om de vijand buiten de deur te houden. Vandaar de al zeer oude gedachte (bij de filosofoof Heraclitus) dat de strijd of de oorlog de “vader is van alle dingen.” Het geweld is de bron van alle cultuur maar ook de vernietigende kracht die aan alle vrede een einde kan maken. De Griekse goden die als de eigenlijke hoeders van de staat worden gezien, ontlenen hun betekenis aan de noodzaak om de staat te bewaren tegen de vijanden maar ook te voorkomen dat de gewelddadige krachten binnen de staat worden ingezet. Vijanden van buiten en vijanden van binnen moeten gelijkelijk bestreden worden. Het is de taak van de concrete politiek om de harmonie tussen deze tegenstellingen tot stand te brengen en te bewaren. Doorgaan met het lezen van “De verscheurdheid van de staat – Politieke theologie (2)”

Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap

Een politieke theologie zou kunnen beginnen met het begrip theocratie. Letterlijk betekent dit Gods regering, oftewel Koninkrijk Gods, of Koninkrijk der hemelen. Dit woord staat centraal in de verkondiging van Johannes de Doper, en in de verkondiging van Jezus zelf.

Het woord theocratie wordt voor het eerst gebruikt door de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om een goddelijk koningschap aan te duiden in onderscheid tot een monarchie of een hierocratie (een regering door de priesterlijke stand). God regeert rechtstreeks over Zijn volk. Een menselijke koning kan dan ook alleen maar een vice-koning zijn die de wil van God voor het volk zichtbaar maakt. Om het met een modern taalgebruik te zeggen: God is de wetgevende en de koning is hooguit de besturende macht. God is de eigenaar van het volk, en de koning alleen de aangestelde herder. Deze theocratie is de kern van wat we de politieke theologie van Israël zouden kunnen noemen. Ik geef hier het gehele citaat: Doorgaan met het lezen van “Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap”

De cherub van Tyrus

Over de koning van Tyrus wordt in Ezechiël 28 onder meer gezegd: “u was in Eden, de hof van God.” Waar precies was dan de koning van Tyrus? Komen we hem dan tegen in Genesis 2 of 3? Vers 13 spreekt over “de dag dat u geschapen bent.” Is dat een uitspraak die naar een troonsbestijging verwijst, zoals in de uitdrukking: “heden heb ik u verwekt”? Of hebben we met een scheppingsdaad te maken? Het volgende vers spreekt over de functie van deze koning: “u was een cherub die zijn vleugels beschermend uitspreidt.” En vers 15 zegt van de koning van Tyrus: “Volmaakt was u in al uw wegen.”

De val van de Satan

Kan dit alles gezegd worden van de menselijke koning van Tyrus? Ja, als we deze taal mogen beschouwen als poëtische verbeeldings-taal. Nee, als we de uitdrukkingen nemen als een beschrijving van een realiteit. (Poetische taal sluit een verwijzing naar de realiteit immers niet uit.) Onder de verwijzing naar de koning zit een symbolische referentie naar een cherub, een engel, die als taak had, “aangesteld was” (vers 14b), op “Gods berg”, om de schepping te beschermen.

De beeldspraak die als bovenlaag de tekst vormt, wordt echter verbroken in vers 16 waar over “de overvloed van uw handel” gesproken wordt. Dit vers is een sleutel voor het begrip van de hele passage. Hieraan wordt duidelijk dat al het andere beeldspraak is met als directe inhoud de gestalte van de duivel. Vers 16 maakt met het woord “handel” echter duidelijk dat de werkelijke koning van Tyrus met de duivel wordt vergeleken. De passage is echter niet aan hem,  maar aan de koning van Tyrus gewijd, zoals het opschrift in vers 12 duidelijk maakt. Zonder vers 12 en vers 16 zou dit een poëtische beschrijving van de duivel alleen zijn. 

Hoe moeten we dan de verhouding zien tussen beide? Twee mogelijkheden bieden zich aan. Moeten we zeggen dat niet de koning van Tyrus wordt aangesproken, maar de engel van Tyrus?  Volgens Willem Ouweneel wordt hier de “engel van Tyrus”  aangesproken. De tekst spreekt echter nadrukkelijk over de MELECH, de koning van Tyrus.  Hoe zit het dan met de referentie aan de Hof van Eden, als de koning van Tyrus zelf bedoeld zou zijn? Maar waarom dan het woord “handel”, als niet de werkelijke koning bedoeld wordt? 

Of moeten we zeggen dat we hier met een dubbele gestalte te maken hebben, d.w.z met een schets van de duivel die als een “overlay” over de koning van Tyrus wordt heengelegd. Waarom? Om zo duidelijk te maken dat de koning van Tyrus de duivel vertegenwoordigt en in feite een manifestatie is van de duivel precies ook in de geschiedenis van zijn val. De poëtische beschrijving van zijn val, is een symbolische referentie naar de zonde van de koning. Zijn troonsbestijging was een “aanstelling” om een beschermende macht, als het ware een “cherub” in de wereld te zijn. De overvloed van handel en de rijkdom – de edelstenen van vers 13 – werd verworven en gehandhaafd door geweld en dat was het begin van de specifieke zonde van de koning. 

God regeert over de koningen. De val van de koning kan herleid worden tot een prototype van de val van de satan die door God in deze wereld een positie van macht heeft gekregen. De bovenmenselijke machten zxijn door God toegelaten om de mens te beschermen. Om in gehoorzaamheid aan de Schepper als een herder te zorgen voor Zijn mensheid. De duivel en de demonen zijn niets anders dan instituties die macht hebben over velen, en die macht nu niet als herder, maar als verscheurend roofdier uitoefenen. Alle machten zijn immers uit en door en tot Christus geschapen.

Het ongeloof van Felix en de Messias in Psalm 2 – Koinonia Live! van 6 november

Een ouderwetse Koinonia Live! met een meditatie van Knap, een bespreking van Psalm 2 en een nagesprek over onze bezigheden van deze week. Vanwege de controlemaatregelen zijn we nog intenser bezig met onze activiteiten op het internet dan voorheen.

De meditatie brengt ons op het spoor van wat je een typische vorm van ongeloof zou kunnen noemen. De interesse van Felix in het evangelie is gemotiveerd door zijn angst voor het naderende oordeel. Maar meteen stelt hij het nadenken daarover uit: “ik zal u bij een goede gelegenheid laten halen.” De vele gesprekken met Paulus die daarop volgen zijn echte gemotiveerd door een poging om het ongelijk van dit evangelie aan te tonen. Als Paulus zal proberen de stadhouder om te kopen, dan heeft Felix het argument dat hij zoekt. Het evangelie kan niet waar zijn als Paulus zelf niet bang is voor het oordeel, maar onrechtmatig handelt. Zoals alle mensen dat zouden doen uit lijfsbehoud. Paulus handelt echter geheel volgens zijn karakter en volgens de waardigheid van het evangelie. Het is immers de Here die hem in deze omstandigheden heeft gebracht. Het past hem niet om met een onrechtmatige daad zijn nood te willen verlichten.