Jezus als belichaming van de Torah: een vergeten lezing van Johannes 1

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God

Johannes 1:1–18 is een van de meest bekende passages uit het Nieuwe Testament. Vaak wordt deze tekst gelezen als een metafysische verklaring over de goddelijkheid van Jezus, vooral in de context van latere christelijke dogma’s. Maar wanneer we de proloog van Johannes plaatsen in het Joodse denkkader van de eerste eeuw, laat zich een heel andere interpretatie zien. Het gaat dan niet zozeer om een filosofische Logos, maar om de Torah, de Wijsheid en de Memra die “vlees” worden. Niet een mens (van vlees en bloed) worden, maar in de persoon van Jezus tot uitdrukking komen. Deze alternatieve lezing laat zien hoe diep de tekst geworteld is in Joodse tradities en hoe de betekenis door de eeuwen heen is verschoven.

In de Joodse traditie wordt de Torah vaak gezien als pre-existent, als het plan waarmee God de wereld schiep. (Dat geldt ook voor de naam van de messias, dus wellicht voor de Messias zelf.) Ook Wijsheid, zoals verbeeld in Spreuken 8 en Sirach 24, werd voorgesteld als een metgezel van God bij de schepping. In de Aramese Targoemim (bijbelvertalingen) vinden we het begrip Memra, het Woord van God, dat Gods handelen en aanwezigheid aanduidt. Al deze concepten werden verbonden met licht, leven en scheppende kracht.

Wanneer Johannes schrijft: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God,” dan klinkt dit als een echo van deze Joodse concepten. Het Woord kan worden opgevat als Torah of Wijsheid die bij God was vanaf het begin. “Alle dingen zijn door hem geworden” herinnert aan de Torah als blauwdruk van de schepping. “In hem was leven, en het leven was het licht der mensen” sluit aan bij de Torah als bron van leven en licht. En “Het Woord is vlees geworden” kan worden gelezen als de radicale gedachte dat de Torah niet langer alleen in geboden en teksten aanwezig is, maar in een mens, in Jezus zelf, zichtbaar en tastbaar is geworden.



Vanuit dit perspectief is Johannes 1 dus een hymne die Jezus presenteert als de belichaming van Torah, Wijsheid en Memra. Het is een manier om te zeggen dat Gods scheppende en openbarende kracht tastbaar aanwezig is in hem. Maar in de Grieks-Romeinse wereld kreeg het woord Logos een andere betekenis: het werd begrepen als het rationele principe dat het universum ordent. Zo verschoof de interpretatie van Jezus als persoonlijke uitdrukking van de Torah – een leven in harmonie met de intentie van de Torah! – naar Jezus als metafysisch Logos. In de vierde eeuw werd dit cruciaal voor de formulering van de triniteit tijdens het concilie van Nicea.

Het is interessant dat vroege joods-christelijke groepen zoals de Nazarenen en Ebionieten waarschijnlijk dichter bij deze oorspronkelijke interpretatie stonden. Zij zagen Jezus niet als een metafysische godheid, maar als de Messias die de Torah belichaamde en vervulde. Voor hen was Jezus de levende weg van gehoorzaamheid en wijsheid, eerder een profetische en messiaanse figuur dan een filosofische Logos. De Nazarenen hielden vast aan de Torah en zagen Jezus als haar vervulling, terwijl de Ebionieten hem beschouwden als een uitverkoren mens die door God gezalfd was. In beide gevallen lag de nadruk op de Torah en de Joodse traditie, niet op een Grieks-metafysische interpretatie.

Pas later, toen het christendom zich verder losmaakte van het Jodendom en zich verspreidde in de Grieks-Romeinse wereld, werd Johannes 1 gelezen door de lens van de Logos-filosofie. Daarmee verschoof de focus van Jezus als belichaming van de Torah naar Jezus als goddelijke Logos, een wezen dat deel uitmaakt van Gods eigen wezen.

Het lezen van Johannes 1 vanuit een Joodse invalshoek brengt ons niet alleen dichter bij de oorspronkelijke betekenis van de Aramese tekst. Het geeft ons ook de mogelijkheid terug te keren naar de christologie die oorspronkelijk werd ontwikkeld in messiaans-joodse context, voordat de dominantie van de Griekse metafysica zichtbaar werd in de christelijke theologie.  Het herinnert ons eraan dat de vroege volgelingen van Jezus hem niet loszagen van de Torah, maar juist als haar vervulling en belichaming. Het laat ook zien hoe religieuze tradities zich ontwikkelen: wat begint als een hymne over de Torah kan, door culturele en filosofische verschuivingen, uitgroeien tot een metafysische belijdenis over de Logos. Door de Nazarenen en Ebionieten in beeld te brengen, zien we dat er in de eerste eeuwen meerdere interpretaties naast elkaar bestonden, en dat de keuze voor een Grieks-metafysische lezing niet vanzelfsprekend was, maar het resultaat van een historische ontwikkeling, die alles te maken had met een toenemende vijandschap tegenover joden en de synagoge.

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Bijbelse Theologie, Israël, Johannes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *