Een preek over Adam, Eva en Hooglied

In deze preek worden twee bijbelse verhalen — de schepping van man en vrouw in Genesis 2 en de liefdespoëzie van het Hooglied — op een  natuurlijke manier met elkaar verweven. Ik laat zien dat de Bijbel niet begint met macht, hiërarchie of productie, maar met wederkerigheid: een mens die de ander herkent als deel van zichzelf, en een God die de mens aanspreekt in dezelfde taal van verlangen en nabijheid.

Ik heb in de preek de Babylonische achtergrond gebruikt om de radicaliteit van het bijbelse mensbeeld te laten zien. Tegenover een cultuur waarin vrouwen óf godinnen óf bezit waren, plaatst Genesis een beeld van gelijkwaardigheid en aanvulling: “een hulp tegenover hem”, niet onder, niet achter, maar aankijkend. Dat geeft de bekende scheppingsverhalen een nieuwe scherpte en actualiteit.

Het tweede deel van de preek, waarin het Hooglied wordt betrokken, verdiept dit thema. De liefde wordt niet geromantiseerd, maar realistisch getekend: er zijn winters, afstand, angst, wachters die de weg versperren. Toch blijft de stem van de bruidegom klinken: “Sta op, mijn allermooiste.” Ik gebruikte dit als spiegel voor het geloofsleven: niet wij zoeken God, maar God zoekt ons — soms als een gazelle, kwetsbaar en zacht, niet als een donderende macht.

De kern van de preek is dat liefde wederkerig is. God verlangt naar onze stem, niet uit behoefte aan macht, maar uit verlangen naar relatie. Bidden wordt zo geen plicht, maar een antwoord op liefde. De preek eindigt met een pastorale uitnodiging: kom uit de rotskloof, laat je zien, laat je horen — want God is nabij en wacht.

Het geheel is bedoeld als een scherpe meditatie over mens‑zijn, liefde en Gods nabijheid. Ik wilde uitnodigen tot reflectie én tot vertrouwen.


De tekst van de preek:

Het zal je maar gebeuren: je valt in een diepe slaap en wordt wakker als getrouwde man. Dat is gelukkig alleen Adam overkomen. Hij moet behoorlijk verrast zijn geweest. Het was niet de vrouw die hij zelf had uitgezocht of bekeken, niet iemand van wie hij had gedacht: “Haar wil ik graag.” Nee, daar is ze — en God brengt haar naar hem. Later heet ze Eva, hier nog Isha. God brengt haar bij Adam.

Misschien heeft Adam even gedacht: wil ik haar wel? Maar hij moet in haar onmiddellijk herkend hebben dat zij bij hem hoort, dat zij uit hem voortkwam, dat zij met hem ten diepste verbonden is. Hij moet op dat moment smoorverliefd zijn geworden.

En Eva? Zij wordt uit de rib van Adam gemaakt en naar hem gebracht. Zal zij niet even geaarzeld hebben? Wie is dat? Wat is dat? Toch moet zij hebben erkend dat ze bij Adam hoort. Vandaar dat beeld van de rib: de band tussen man en vrouw is — zo bedoeld — veel dieper dan de band tussen mannelijke en vrouwelijke dieren. Dieren dienen de soort; mensen dienen elkaar.

God brengt alle dieren bij Adam, en Adam staat daar in zijn eenzaamheid. “Het is niet goed dat de mens alleen is.” Hij moet die hunkering gevoeld hebben: is er iets dat mij compleet maakt? Iemand met wie ik werkelijk kan communiceren, mijn gedachten delen, mijn gevoelens uitspreken? En dan komen ze langs: het eekhoorntje, de muis, de neushoorn. Er zit niets bij waarmee je waarachtig communiceren kunt. Zelfs hond en kat — misschien nog het dichtst erbij — voldoen niet. Maar dan komt Eva, en het is onmiddellijk raak. Zo wil het verhaal ons zeggen: zo diep en zo natuurlijk horen man en vrouw bij elkaar.

Daarom is het een echt gemis als je man of vrouw er niet meer is. Daarom is het een echt gemis als je die partner niet kunt vinden. Daarom is het een echt gemis als de liefde verdwijnt. Zo heeft God het niet bedoeld. Hij heeft bedoeld dat de vrouw die je ontmoet jou doet ontwaken uit de slaap, en dat de vrouw in de man zichzelf herkent: “Daar is de rib waaruit ik genomen ben.” Ze maken elkaar compleet.

Dan gebeurt er iets opmerkelijks: Adam gaat dichten. “Been van mijn beenderen, vlees van mijn vlees.” In het Hebreeuws is dat een ritmisch gedicht. Het eerste gedicht van de mens.

De eerste lezers van dit verhaal zaten in Babylon, in ballingschap. Hun kinderen gingen naar Babylonische scholen, waar de mythen van het land verteld werden. Daar ging het heel anders toe. In Babylonië waren vrouwen óf godinnen — hoog verheven, onbereikbaar — óf vee, bezit van hun heer, bedoeld om kinderen voort te brengen. De Bijbel zegt iets totaal anders: man en vrouw horen bij elkaar, zijn gelijkwaardig, vullen elkaar aan, en vervullen samen de roeping die God aan de mens heeft gegeven. Dat was in Babylonië afwezig.

En dan schrijft iemand, midden in die cultuur: “Nee hoor, God heeft het heel anders bedoeld.” Haaks op zijn omgeving. En het gekke is: in onze geschiedenis is niet zozeer het Bijbelse verhaal doorgegaan, maar het Babylonische. Hoe lang duurde het voordat vrouwen kiesrecht kregen? Hoe lang voordat hun positie veranderde — ook in de kerk?

De vrouw wordt in Genesis “een hulp die tegenover hem is” genoemd. Dat wordt vaak verkeerd begrepen. Niet: een knecht die bij zijn meester past. In het Hebreeuws staat: “als tegenover hem.” Dat betekent: gelijkwaardig, aankijkend, aanvullend. Maar het woord kan óók betekenen: tegenstander, iemand die je tegenhoudt. Dat is prachtig: de vrouw is de gelijkwaardige partner die de man helpt zijn opdracht te vervullen, maar hem ook tegenhoudt wanneer hij dwaalt.
De opdracht is zorg. Niet produceren, niet bouwen, niet onderwerpen. De mens is tuinman. De vrouw helpt hem dat te blijven. Als Adam denkt: “Vandaag bouw ik een toren,” zegt zij: “Nee, eerst de tuin. Eerst wat God heeft opgedragen.”
Adam dicht — en iets van die sfeer vinden we terug in het Hooglied. Een boek met vele lagen: de liefde van Salomo voor zijn bruid, de liefde van God voor Israël, de liefde van Christus voor de gemeente. Het kenmerk van liefde is verlangen: je wilt bij de ander zijn, één vlees worden — dat wil zeggen: het hele bestaan delen. Maar dat gebeurt in de werkelijkheid van het leven, met winters, kou, afstand.

In het Hooglied raken de geliefden elkaar kwijt. De bruid zoekt, dwaalt door de stad, ontmoet wachters die soms helpen en soms hinderen. Uiteindelijk roept de bruidegom: “Sta op, mijn vriendin, mijn allermooiste.” De winter is voorbij. De aarde bloeit. De liefde herleeft.

In het Hooglied raken de geliefden elkaar voortdurend kwijt. De bruid gaat zoeken, zwervend door Jeruzalem: “Waar is mijn bruidegom?” Ze ontmoet wachters die haar soms helpen, maar soms ook hard en vijandig de weg versperren. Het zijn de omstandigheden van het leven die de liefde moeilijk maken. Uiteindelijk moet de bruidegom zijn gedeprimeerde vriendin weer moed geven: “Sta op, mijn vriendin, mijn allermooiste.” Dat betekent dat ze is gaan liggen, dat de energie op is, dat de winter door hun liefde is gegaan. Hij moet haar troosten: “De winter is voorbij, de regentijd is over, de bloemen laten zich zien.” De hele aarde wordt een echo van de liefde zoals God die bedoeld heeft.

De bruid verstopt zich in de rotskloof. Hij pleit bij haar: “Laat mij toch uw gedaante zien, laat mij uw stem horen.” Maar zij durft niet; het leven is te zwaar geweest. Ze zegt: “Vang eerst de vossen, de wilde dieren die onze wijngaard bedreigen.” En blijkbaar doet hij dat. Hij vangt de vossen, haalt haar uit de rotskloof, laat haar de bloemen zien. Dan kan zij weer zingen: “Mijn lief is van mij en ik ben van hem.” Alles is hersteld. Het heeft even geduurd, maar de liefde keert terug.

Zo gaat het ook bij ons. Het maakt niet uit of het om de liefde voor een partner gaat of voor kinderen: relaties gaan door fasen heen. Soms zit je in een winter, waarin alle gevoelens verkoeld zijn en de relatie lijkt op een vrieskist. Dan moeten er woorden komen van troost, uitnodiging, herstel — woorden die herinneren aan hoe het begonnen is en hoe God het bedoeld heeft. “Sta op, mijn allermooiste.” Soms moet de bruidegom pleiten, soms de bruid. Soms zijn ze elkaar kwijt, soms is de poëzie weg, soms is de winter gekomen. Maar dan is er weer herstel.

Wij gaan anders dan God zelf. God gaat niet door fasen heen. Hij heeft ons lief van begin tot einde. Er is geen winter in zijn liefde, wel in de onze. Soms weten we niet wat we met God aan moeten. Soms zitten we in de kerk uit sleur of routine, niet uit verlangen om Hem te horen, te ontmoeten, te loven. Dat enthousiasme hebben we niet altijd. Wat zegt God dan? “Mijn allermooiste, kom toch. Sta op. Zie hoe deze wereld kan zijn. Zie hoe Ik hem bedoeld heb. Laat je overtuigen. Laat de aarzeling vallen. Ik ben er.”

Hij staat met open armen op ons te wachten. “Let op de mooie dingen die Ik in je leven geef. Laat de angst voor de vossen los. Ik zorg voor die vossen. Ik neem de bedreigingen weg.” Anders zouden de wijngaarden — de plaatsen van vreugde — te gronde gaan, en dat laat God niet toe. Als je erin zit vandaag: kom uit die rotskloof. Kom in het open licht waar God je wil ontmoeten.

We zijn vaak aarzelend en angstig. We denken dat we God zoeken, maar eigenlijk zijn we Hem kwijt. Hij is ons niet kwijt. Hij let op ons, Hij gaat met ons mee. Soms lijkt Hij ver weg, zoals in het volgende hoofdstuk: “Op mijn bed zocht ik in de nachten hem die ik innig liefheb. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.” Soms lijkt God afwezig, maar we hebben in ieder geval onze liefde voor Hem, en het inzicht dat Hij ons liefheeft. “Laat ik opstaan en in de stad rondtrekken, door de straten en over de pleinen hem zoeken.” Niet Hij is jou kwijt, maar jij bent Hem kwijt.

Dan moet je langs de wachters — de stemmen die zeggen: “Ga jij nog naar de kerk? In 2024?” Kinderen die zeggen: “Voor mij is het niks.” Kleinkinderen die niet meer weten waar de Bijbel over gaat. Buren en collega’s die jouw houding niet begrijpen. Je wordt er schuw van: moet ik wel zeggen wat ik echt denk? De wachters die in de stad de ronde doen. Je vraagt: “Hebt u hem gezien die ik innig liefheb?” En nauwelijks ben je hen voorbij, of je vindt Hem die je innig liefhebt.

Je zit in de schuilplaats van de bergwand, je durft niet te antwoorden op de stem die je hoort, je bent bang voor de vossen, bang voor de wachters. Maar er is toch een diep verlangen om die Liefste, die God, weer te zien. “Wees als een gazelle of als het jong van een hert.” Niet als de Babylonische goden met hun macht over regen, donder en hagel, die dood en verderf brengen. Nee, deze God is als een gazelle — een kwetsbaar beeld. Hebt u ooit gedacht: God lijkt op een hert? Dat is iets wat ik van het Jodendom geleerd heb: een God die kwetsbaar is.

Waarom moeten wij tot die God bidden? Misschien vinden wij het niet nodig. Maar Hij heeft het nodig. Waarom lezen we verhalen over die God? Misschien hebben wij het niet nodig. Maar Hij heeft het nodig. Hij wil een plek in deze wereld hebben. En wij hebben Hem eruit gegooid. Hij zoekt een plek in onze wereld. En Hij hoopt dat wij zullen zeggen: “Wees als een gazelle. Kom sierlijk en elegant aan ons voorbij. Speel. Wees het jong van een hert.” Zo kan God in ons midden zijn. Niet de God die dondert op een berg, maar de God die fluistert, die zich als een gazelle in ons leven nestelt en zegt: “Kom uit die rotskloof. Laat mij jouw stem horen.”

God wil onze stem horen. Daarom wil Hij dat wij bidden. Niet omdat wij iets moeten, niet omdat wij uit nood moeten roepen, maar omdat Hij onze stem wil horen. Dat is de taal van de liefde. We zeggen vaak: “God is liefde.” Maar liefde komt van twee kanten. In onze gebeden geven wij God de aandacht die Hij nodig heeft. Dan komt Hij tot bloei. Dan zegenen wij Hem. Zijn antwoord is zijn zegen voor ons. Wederkerig — zoals tussen Adam en Eva. Zo ook tussen God en ons.

Als wij aan God denken, zien we zijn werk, zijn liefde, zijn genade. Maar Hij wil als antwoord onze liefde. Hij wil onze stem horen. Hij wil onze gedaante zien wanneer wij voor Hem staan en tot Hem spreken. Zo wordt de liefde concreet. Zo wordt onze liefde voor God iets reëels, niet alleen een woord of gedachte.
Als u vanavond op uw bed ligt, voor u inslaapt, en u fluistert: “Onze Vader die in de hemelen zijt, ik heb U lief. Ik wil U liefhebben. Ik wil antwoord geven op uw liefde voor mij,” dan wordt God in uw leven weer een gazelle, of het jong van een hert. Zo wil Hij in uw leven zijn: aangesproken, uitgenodigd, soms uitgedaagd, maar altijd aangesproken. Dat is de taal van de liefde — van Hem voor ons, en van ons voor Hem.

Hem zij de eer, de heerlijkheid en de kracht tot in eeuwigheid. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *