Het debat over de haalbaarheid van een Palestijnse staat en de vooruitzichten voor vrede tussen Israëli’s en Palestijnen wordt al decennia gevoerd tegen de achtergrond van mislukte onderhandelingen, ideologische breuklijnen en wederzijds wantrouwen. In veel analyses wordt benadrukt dat de obstakels voor Palestijnse staatsvorming niet alleen liggen in geopolitieke omstandigheden, maar diep verankerd zijn in de politieke cultuur, het onderwijs, de instituties en de historische keuzes van Palestijnse leiders. Tegelijkertijd blijft een meerderheid van commentatoren ervan uitgaan dat een twee-statenoplossing, ondanks alles, nog steeds de enige realistische route is naar een duurzame toekomst. Maar na 7 oktober 2023 lijkt die route verder weg dan ooit.
Om te begrijpen waarom, is het noodzakelijk om terug te gaan naar de historische context. Sinds de jaren negentig is het uitgangspunt van de internationale gemeenschap geweest dat het conflict kan worden opgelost door twee staten naast elkaar te laten bestaan. De Oslo-akkoorden van 1993 en 1995 vormden het eerste formele kader waarin Israël en de PLO elkaar wederzijds erkenden. Israël erkende de PLO als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk, en de PLO erkende Israëls bestaansrecht. Maar zelfs in deze erkenning zat een fundamentele ambiguïteit: Yasser Arafat erkende Israël als staat, maar niet als de staat van het Joodse volk. Die nuance zou later een van de belangrijkste struikelblokken blijken.
In de jaren die volgden, werden verschillende voorstellen gedaan die het Palestijnse leiderschap de mogelijkheid boden om een onafhankelijke staat te vestigen. Het meest bekende moment vond plaats in 2000, tijdens de Camp David-onderhandelingen onder leiding van de Amerikaanse president Bill Clinton. Israël bood toen een vrijwel volledige terugtrekking uit Gaza en het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever aan, inclusief delen van Oost-Jeruzalem. Arafat wees het voorstel af. Clinton verklaarde later dat Arafat “een historische kans had laten liggen” en dat het conflict “niet om land ging, maar om erkenning”. Deze interpretatie werd versterkt door Arafats eigen uitspraken in Arabische media, waarin hij herhaaldelijk benadrukte dat het conflict niet territoriaal was, maar existentieel. Land voor vrede was meerdere malen aangeboden, maar nooit geaccepteerd.
Veel commentatoren wijzen erop dat deze historische achtergrond duidelijk maakt waarom de weigering van Palestijnse leiders om Israël te erkennen als Joodse staat zo’n diepgaande betekenis heeft. Het is een impliciete roep om vernietiging – From the river to the sea: free Palestine is een oproep tot genocide – en het is zeker een structurele ontkenning van Israëls nationale identiteit als joodse staat. Dat onderscheid is belangrijk: weigering van erkenning is dan wellicht niet hetzelfde als het formuleren van een vernietigingsdoel, maar het creëert wel een ideologische kloof die elk vredesproces ondermijnt.
Daarbij komt dat velen benadrukken dat de Palestijnse samenleving wordt gevormd door een onderwijs- en mediasysteem dat jodenhaat cultiveert. D door de Palestijnse Autoriteit gecontroleerde schoolboeken en televisieprogramma’s presenteren Israël niet als een legitieme buur, maar als een koloniale indringer. De verheerlijking van martelaarschap, de afwezigheid van erkenning van Joodse historische verbondenheid met het land, het pay-for-slay-programma en de voortdurende framing van geweld als heldendom vormen een culturele infrastructuur die vrede niet alleen moeilijk maakt, maar bijna ondenkbaar. Dit is geen marginaal verschijnsel, maar een institutioneel patroon dat de vorming van een nieuwe generatie beïnvloedt.
De situatie wordt verder gecompliceerd door de aanwezigheid van gewapende facties die buiten de controle van de Palestijnse Autoriteit opereren. Veel analyses beschrijven hoe deze groepen actief proberen elk diplomatiek proces te saboteren. De PA heeft geen monopolie op geweld, en zonder dat monopolie kan geen enkele staat functioneren. De gebeurtenissen van 7 oktober 2023 hebben dit probleem op dramatische wijze blootgelegd. Hamas, dat Gaza bestuurt maar niet onder controle staat van de PA, voerde een aanval uit die niet alleen duizenden levens verwoestte, maar ook het vertrouwen in de mogelijkheid van vreedzame co-existentie diep beschadigde. Hamas-leiders verklaarden na 7 oktober openlijk dat hun doel niet territoriaal is, maar existentieel: niet een staat naast Israël, maar een staat in plaats van Israël. Deze uitspraken sloten aan bij eerdere verklaringen waarin zij benadrukten dat het conflict niet gaat over grenzen van 1967, maar over de volledige afwijzing van het “zionistische project”.
In dat licht bezien lijkt de twee-statenoplossing verder weg dan ooit. Niet alleen omdat Israël na 7 oktober een diep trauma heeft opgelopen dat het wantrouwen versterkt, maar ook omdat de Palestijnse politieke arena verdeeld is tussen een Palestijnse Autoriteit die zwak en corrupt is, en een beweging die openlijk de vernietiging van Israël nastreeft. Velen wijzen erop dat de Palestijnse Autoriteit zelf wordt gekenmerkt door falende instituties, endemische corruptie en wetgeving die terroristisch geweld financieel beloont. Een staat kan niet functioneren wanneer zijn onderwijsstelsel vijandigheid cultiveert, zijn media voortdurend de radicalisering versterken en zijn leiders de legitimiteit van hun buren ontkennen.
Tegen deze achtergrond krijgen de Abraham-akkoorden een bijzondere betekenis. Toen in 2020 de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Marokko en later ook Soedan normalisatieakkoorden met Israël sloten, werd duidelijk dat een deel van de Arabische wereld niet langer bereid was zijn nationale belangen te laten gijzelen door het Palestijnse vraagstuk. Voor het eerst in decennia werd de Palestijnse kwestie niet langer gezien als de sleutel tot regionale stabiliteit, maar als een kwestie die de Arabische staten konden omzeilen. Veel commentatoren merkten op dat deze akkoorden de Palestijnse strategie van totale afwijzing ondermijnden. Waar de PLO en later de PA decennialang hadden gerekend op Arabische solidariteit als hefboom tegen Israël, bleek die solidariteit niet langer vanzelfsprekend. De Abraham-akkoorden lieten zien dat normalisatie mogelijk is zonder Palestijnse staat, en dat regionale samenwerking niet hoeft te wachten op een oplossing van het conflict. Voor Israël versterkte dit het gevoel dat vrede mogelijk is met staten die bereid zijn pragmatisch te handelen. Voor Palestijnse leiders betekende het een verlies aan diplomatieke invloed en een signaal dat hun strategie van afwijzing steeds minder draagvlak heeft.
Toch blijft de twee-statenoplossing volgens een meerderheid van analisten de enige realistische route naar een duurzame toekomst. De meerderheid van de Palestijnen blijft streven naar een onafhankelijke staat, en Israël blijft vrijwel unaniem gekant tegen een een-staatmodel dat het einde van de joodse staat zou betekenen. Maar de kloof tussen wens en werkelijkheid is groter geworden. De gebeurtenissen van 7 oktober hebben niet alleen het Israëlische vertrouwen in onderhandelingen ondermijnd, maar ook de internationale bereidheid om druk uit te oefenen op Israël verminderd. De wereld zag dat een terugtrekking uit Gaza in 2005 niet leidde tot vrede, maar tot een machtsvacuüm dat door Hamas werd gevuld.
Wat uit veel analyses naar voren komt, is geen fatalistische conclusie, maar een voorwaardelijke. Palestijnse staatsvorming is niet volledig uitgesloten, maar afhankelijk van diepgaande hervormingen binnen de Palestijnse politieke cultuur en instituties, die misschien decennia zullen vergen. De belangrijkste barrière is niet de onmogelijkheid van een Palestijnse staat als zodanig, maar de huidige koers van Palestijnse politiek en bestuur. Zolang die koers niet verandert, zal de realiteit bestaan uit herhaling van geweld, wederzijds wantrouwen en een conflict dat zichzelf blijft reproduceren.