Een kleinzoon van Mozes, priester van een afgod

Het is bijna verborgen, het verhaal van deze priester voor een afgod. Je vindt het in  Richteren 17–18, en het draait om een naam die je daar niet verwacht: een kleinzoon van Mozes, priester van een afgod. (Richteren 18:30)

Het begint onschuldig, bijna huiselijk. Micha, een man uit het bergland van Efraïm, heeft een privé‑heiligdom gebouwd. Een gesneden beeld, een efod, huisgoden — religie als maatwerk. In een tijd waarin “ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen” voelt dat bijna vanzelfsprekend. Micha zoekt een priester en vindt een jonge Leviet die door het land zwerft. Hij biedt hem een salaris, kleding, onderdak. De Leviet accepteert. Het lijkt een voetnoot in het verhaal.

Maar dan komt de onthulling. Wanneer de stam Dan later langskomt en Micha’s hele heiligdom meeneemt, inclusief de Leviet, noemt de tekst zijn naam:

וִיהוֹנָתָן בֶּן־גֵּרְשֹׁם בֶּן־מֹשֶׁה Jonathan, zoon van Gersom, zoon van Mozes.

In veel manuscripten staat er מְנַשֶּׁה (Manasse), maar met een kleine, zwevende נ — een visuele fluisterstem van de copiist: we willen de naam van Mozes niet verbinden met afgoderij. Maar de oorspronkelijke tekst is helder. Dit is een afstammeling van Mozes. En hij staat hier niet bij de ark, niet bij de tabernakel, maar bij een afgodsbeeld.

Het verhaal wordt nog schrijnender wanneer de tekst vervolgt dat Jonathan en zijn zonen priesters van Dan werden, “tot de dag van de ballingschap van het land”. De lijn van Mozes, de man van de Tora, wordt hier verbonden met een cultus die niets met de HEERE te maken heeft.

Hoe kan dat? Hoe kan iemand uit zo’n heilige familie zo ver afdwalen?

Misschien is dat precies waarom dit verhaal in de Bijbel staat. Om te laten zien hoe iemands geloof verdwale kan, wanneer het niet stevig geworteld is. Jonathan doet niets spectaculair verkeerd. Hij kiest voor wat praktisch is, wat zekerheid biedt, wat hem een plek geeft. Hij kiest voor een religie zonder roeping, voor een dienstbaarheid tegenover mensen zonder gehoorzaamheid aan de God van Israël. Hij is geen rebel, maar hij drijft mee op de stroom van zijn tijd.

En juist daarom is hij zo herkenbaar. Want wie van ons kent niet de verleiding om het geloof te laten meebewegen met wat handig is, wat sociaal werkt, wat past in de cultuur van het moment? Jonathan is geen monster. Hij is een spiegel. Hij laat zien dat afkomst geen garantie is voor trouw, en dat zelfs de meest heilige geschiedenis geen bescherming biedt tegen de verleidingen van veiligheid en gemak.

Maar de Bijbel vertelt dit verhaal niet om ons in wanhoop achter te laten. Het vertelt het om te laten zien dat God zijn geschiedenis niet laat afhangen van menselijke perfectie. De lijn van Mozes wordt niet uitgewist, maar eerlijk verteld — inclusief de schaduwen. En juist daardoor wordt de genade zichtbaar: dat

God werkt door mensen die soms verdwalen, soms kiezen voor het verkeerde altaar, soms vergeten wie ze zijn.

Jonathan, kleinzoon van Mozes, werd priester van een afgod. Dat schuurt. Maar het nodigt ook uit. Het vraagt ons opnieuw te kijken naar onze eigen altaren, onze eigen keuzes, onze eigen vormen van gemakzuchtige religie. Niet om te veroordelen, maar om wakker te worden. Want de God van Mozes is nog steeds de God die roept, die zoekt, die terugbrengt — zelfs wanneer zijn eigen kinderen een andere weg zijn ingeslagen.

Dit bericht is geplaatst in Bijbelstudie, BIJBELSTUDIE, Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *